Veldkeuring & Nacontrole
Veldkeuring
De veldkeuring begint de eerste helft van juni, na de opkomst van het gewas. De NAK informeert de telers schriftelijk over de start van de veldkeuring. Tijdens het groeiseizoen beoordeelt de keurmeester gemiddeld 3 keer het perceel. Klik hier, voor de lijst van keurmeesters voor de veldkeuring 2012. Er wordt minimaal 2 keer gekeurd. Stammen kleiner dan 2 are worden alleen op verzoek gekeurd. Bij de keuring wordt gekeken naar:
- Stand en ontwikkeling van het gewas;
- raszuiverheid;
- ziekten die met de knol overgaan;
- andere factoren
De teler wordt schriftelijk geinformeerd indien een perceel is verlaagd in klasse of is afgekeurd. Een extra keuring of herkeuring moet u binnen 2 werkdagen, nadat de uitslag van de keuring mondeling of schriftelijk aan u is afgegeven, aanvragen.
Loofvernietiging
Op basis van de volgende factoren stelt de vaste commissie voor pootaardappelen van de NAK de Adviesdata loofvernietiging 2012 vast:
- De omvang van bladluisvluchten; deze worden geregistreerd met behulp van zuigvallen en vangbakken, die dagelijks worden afgetapt;
- vatbaarheid van de rassen voor Y-virus
- de infectiedruk in het veld;
- de rijpingstoestand van de gewassen.
Voor dit doel zijn de aardappelrassen ingedeeld in 2 rooigroepen, op basis van het 5-jarig gemiddelde van de resultaten van de nacontrole. De loofvernietigingsdata- voor de categoriën 'basispootgoed' (klassen S,SE en E) en 'gecertificeerd pootgoed' (A en C) - hebben een adviserende functie ('adviesdata'). Onder gunstige omstandigheden (luizen, virus) en bij loofvernietiging voor de adviesdatum, is als regel ontheffing voor nacontrole mogelijk voor de klassen A en C van rooigroep 1 en voor de klassen E,A en C van rooigroep 2.
Na loofvernietiging wordt scherp gelet op eventuele hergroei. Hergroei is namelijk zeer vatbaar voor virusinfecties.
Nacontrole
De nacontrole (onderzoek op virus) en het bruinrot-/ringrotonderzoek zijn een verplicht onderdeel van de keuring en fytosanitaire controles. Het virusonderzoek wordt uitgevoerd omdat virusbesmettingen niet altijd zichtbaar zijn op het veld.
In de meeste gevallen wordt er een zogenaamd combi-onderzoek uitgevoerd. Dit betekent dat het genomen monster onderzocht wordt op zowel bruinrot/ringrot (hiervoor wordt het naveleinde gebruikt) als op virus (hiervoor wordt het topoog gebruikt voor uitplant in de kas waarna het bladmateriaal wordt getoetst m.b.v. ELISA toets).
Het bruinrot-/ringrotonderzoek neemt +/- 9 werkdagen in beslag vanaf het moment van monstername tot moment van uitslagverstrekking.
De onderzoeksduur van het virus-/combionderzoek duurt ongeveer 6 tot 9 weken en is afhankelijk van het ras (van makkelijk tot zeer moeilijk kiemend ras). Dit is gerekend vanaf de ontvangst,van het combimonster tot aan de uitslagverstrekking van het virusonderzoek.
De zogenaamde 1 oktober rassen (extreem moeilijk kiemend) worden pas na 1 oktober uitgeplant om voldoende toetsbare planten te krijgen. De uitslag wordt bij deze rassen pas rond half november verwacht.
Naast de ELISA methode voor virus bestaat er ook een veel snellere, maar duurdere PCR methode. De uitslag van de PCR methode duurt ca. 10 werkdagen.(van ontvangst tot aan de uitslag) Het is niet mogelijk om een combi-onderzoek te doen in combinatie met de PCR methode, aangezien voor beide onderzoeken het naveleinde wordt gebruikt.
Het virusonderzoek wordt traditioneel gedaan door middel van ELISA, waarbij gemiddeld 3.700.000 knollen per jaar worden getoetst. De veel snellere PCR-methode wordt ingezet voor partijen bestemd voor vroege export.
De verplichte monstergrootte is:
| Klasse S t/m E | 220 knollen per perceel (één monster per maximaal 6 ha) |
| Klasse A en C | 110 knollen per perceel (één monster per maximaal 6 ha) |
Voor zeer moeilijk kiemende rassen wordt een groter monster genomen.
Op verzoek kunnen groter monsters worden genomen. Dit kan gunstig uitvallen in verband met een hogere tolerantie bij grotere monsters. Bijvoorbeeld: Voor de klasse S geldt een norm van 0 in 200 knollen. Bij 300 knollen, mag 1 besmetting gevonden worden en bij 400 knollen, 2 besmettingen.
Samenvoeging percelen bij bemonstering
Samengevoegde bemonstering van verschillende percelen, met hetzelfde ras en dezelfde veldkeuringsklasse is mogelijk, mits de percelen zijn geteeld op dezelfde locatie. Samenvoeging kan een extra risico op verlaging inhouden.
Ontheffing Nacontrole
Voor de klassen S en SE is de nacontrole verplicht. Voor de overige klassen wordt tijdens het groeiseizoen (periode juni,juli en augustus) vastgesteld of een ontheffing van de nacontrole mogelijk is. Ontheffingen worden bekend gemaakt aan de telers via circulaires en deze site (zie loofvernietigingsdata). Ontheffing van de nacontrole is alleen mogelijk als het loof op de betreffende adviesdatum dood is en geen primair virusziek in het perceel is vastgesteld.
Vrijgesteld van nacontrole zijn:
- pootgoed voor eigen gebruik;
- de klassen A en C van BPR-rassen (kwekersmateriaal en rassen in onderzoek).
Voor meer informatie over het nacontrole-onderzoek en en normen klik hier.
Erwinia-onderzoek stammen
In combinatie met het onderzoek op bruinrot, ringrot en virussen, voert de NAK in het najaar van 2012 een onderzoek uit naar latente Erwinia-besmetting in stammen. Het onderzoek vindt plaats op stammen die worden bemonsterd voor het verplichte ring- en bruinrotonderzoek. De verschillende onderzoeken (bruin-/ringrot, virus en Erwinia) vinden plaats aan hetzelfde monster. Het resultaat van dit onderzoek vormt de basis voor toekomstige maatregelen voor verbetering van de keuring op Erwinia. Zie ook het document Veel gestelde vragen voor verdere toelichting.