Algemeen
Binnen het AM-onderzoek zijn er drie bemonsteringsmethoden mogelijk;
- Methode 1: Amex 200 cc per 1/3 ha
- Methode 2: Amex 600 cc per 1 ha
- Methode 3: Amex 500 cc per 1/3 ha
De bemonsteringsintensiteit (de hoeveelheid bemonsterde grond per ha.) is bij methode 1 en 2 exact gelijk. Totaal wordt er 600 cc per ha. grond bemonsterd. Deze twee bemonsteringsmethoden worden ook wel aangeduid met het 'lichte bemonsteringsregiem'. Omdat er bij methode 2 minder monsters worden genomen/verwerkt dan bij methode 1, is deze methode goedkoper. Het nadeel van methode 2 is dat bij het aantreffen van een eventuele besmetting, de opgelegde besmetverklaring mogelijk groter is. Bij methode 3 wordt er totaal 1500 cc van een ha. bemonsterd, deze methode wordt het 'zware bemonsteringsregiem' genoemd.
Lees meer »
Methode 1 en 2 kunnen alleen uitgevoerd worden als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan;
- Bij het laatste AM-onderzoek geen levende en dode AM-cysten zijn aangetroffen.
- Bij de laatste twee opeenvolgende AM-onderzoeken geen levende AM-cysten zijn gevonden.
- Er minimaal zes jaar geen aardappelen zijn geteeld.
Wanneer aan bovenstaande voorwaarden niet wordt voldaan, wordt bemonsterd volgens methode 3. In de volgende gevallen moet er altijd met methode 3 worden bemonsterd:
- Na de teelt van consumptieaardappelen; behalve wanneer er een officieel AM-onderzoek is uitgevoerd. Een bewijs (kopie) moet dan bij de aanvraag worden gevoegd.
- (Her)bemonstering van een besmet verklaard perceel(sgedeelte).
Voor verdere informatie over AM gerelateerde regelgeving, verwijzen wij u naar de site van de nVWA.
Voorwaarden
- Controle op AM-wetgeving (recht op bemonstering en recht op methode 1 of 2) gebeurt voor uitvoering van de bemonstering. Wanneer u op het aanvraagformulier heeft aangegeven recht te hebben op methode 1 of 2, maar dit blijkt na controle door de NAK ten onrechte te zijn, zal de NAK contact met u opnemen.
- Aanvragen voor methode1 of 2 dienen minimaal 1 ha. groot te zijn, als op hetzelfde perceel(sgedeelte) ook methode 3 wordt aangevraagd. Is dit niet het geval dan wordt automatisch het betreffende gedeelte bemonsterd met methode 3.
- Ieder afzonderlijk perceelsgedeelte (niet aaneengesloten of andere methode), ook binnen een topografisch perceel, moet apart worden opgegeven.
- Alle gegevens over besmettingen worden doorgegeven aan de nVWA.
- In geval van een besmetting (cysten met levende inhoud) vindt er een soortbepaling plaats. Per aanvraag wordt er één soortbepaling uitgevoerd.
- De aanvrager is eigenaar of gebruiksgerechtigde van de opgegeven percelen of heeft toestemming gegeven van deze voor uitvoering van het AM-onderzoek. In geval van opgave voor huurpercelen, gaat de NAK er vanuit dat de aanvrager toestemming heeft van de verhuurder/eigenaar.
- De aanvrager verklaart met de ondertekening van het aanvraagformulier dat op de opgegeven percelen/perceelsgedeelten geen besmetverklaringen rusten.
- De NAK bepaalt het moment van monstername en wijze van bemonstering.
- De bemonstering wordt in de regel in de bewerkings(teelt)richting en in 'stroken' uitgevoerd.
- Akkerranden en kopakkers worden meegenomen in de bemonstering.
- De monstername en het onderzoek worden volgens de richtlijnen en protocollen van de nVWA uitgevoerd.
- De algemene voorwaarden.pdf van de NAK zijn van toepassing.
- Door ondertekening van het aanvraagformulier verklaart u akkoord te zijn met de volgende voorwaarden en de gegevens naar waarheid te hebben ingevuld.
Tijdstip bemonstering
De laatste jaren wordt er steeds vaker niet meer direct na (poot)aardappelen op AM bemonsterd. De bemonstering wordt uitgesteld en op een later tijdstip in de rotatie uitgevoerd. Veel gehoorde reden hiervoor is dat de teler ervan uit gaat dat de kans op het vinden van een besmetting dan lager zou zijn. Het moment van bemonsteren heeft echter nauwelijks invloed op de kans op opsporing van een besmetting.
Lees meer »
Om dit te begrijpen is enige kennis over het aardappelcysteaaltje vereist:
Een nieuwgevormde aardappelcyste (gevormd als gevolg van de teelt van een “vatbaar” aardappelras) bevat 200 tot 300 eieren met in ieder ei een larve (zie de rechter foto). De foto links is een cyste. Klik op de afbeelding voor een vergroting
Wanneer er geen bestrijdingsmaatregelen worden genomen en er andere gewassen dan aardappelen worden geteeld, zal ieder jaar ca. één derde van de larven dood gaan. Dit komt, omdat deze larven spontaan worden gelokt terwijl er geen aardappelplant aanwezig is. Zij kunnen zich dus niet voeden en gaan dood. In de praktijk betekent dat, dat de besmetting na 10 tot 15 jaar vrijwel verdwenen is en de inhoud van de aardappelcyste leeg of dood zal zijn.
Schematisch weergegeven: (Klik op de afbeelding voor een vergroting)
Bestrijdingsmaatregelen waarmee een snellere afname van het aantal levende larven kan worden behaald, zijn:
1) Teelt van een resistent ras (consumptie of fabrieks)
2) Teelt van een vanggewas (aardappelen of raketblad)
3) Grondontsmetten
1) Hierbij worden de larven actief uit de cysten gelokt, maar kunnen zich vervolgens niet voeden en gaan dood.
2) Bij de teelt van het vanggewas raketblad gebeurt hetzelfde. Bij aardappelen als vanggewas worden de larven ook actief gelokt, maar voor zij een nieuwe cyste hebben kunnen vormen, wordt het gewas doodgespoten. De aaltjes die zich op de plant voeden, gaan ook dood.
3) Hierbij worden de larven rechtstreeks gedood.
Met bovengenoemde maatregelen wordt echter vrijwel nooit een bestrijding van 100 % bewerkstelligd, maar ligt vaak tussen de 40 en 90 %.
Een besmetverklaring wordt opgelegd wanneer er een aardappelcyste wordt aangetroffen met levende inhoud. Dat betekent dat het niet uitmaakt of er nu bv. 10 of 200 levende larven in een cyste zijn aangetroffen. Er is dus geen verschil tussen een bemonstering direct na de oogst van (poot)aardappelen, waarbij er een aardappelcyste wordt aangetroffen met 200 levende larven of een bemonstering, waarbij deze cyste na enkele jaren wordt aangetroffen met (200 x 2/3 x2/3) ca. 90 larven. Het bemonsteren voor of na een bestrijdingsmaatregel (eventueel inclusief enkele niet aardappeljaren) kan natuurlijk wel het verschil geven tussen het aantreffen van een gevulde cyste met levende inhoud en een cyste met dode (lege) inhoud.
Een ander niet onbelangrijk misverstand dat vaak wordt gehoord, is dat bij een bemonstering in het voorjaar de kans veel kleiner zou zijn op het vinden van een AM-besmetting dan bij een najaarsbemonstering direct na het rooien. Veelal wordt geredeneerd dat na het rooien alle cysten boven in de rooigrond liggen en de cysten na een kerende grondbewerking worden ondergeploegd. Deze redenering is al geruime tijd geleden weerlegd met een uitgebreid onderzoek door het PRI in Wageningen, waaruit bleek dat het bemonsteringstijdstip (najaar of voorjaar) nauwelijks verschil gaf. De conclusie van dit onderzoek was dat de cysten goed verdeeld in de bouwvoor voorkomen.
Uit bovenstaande blijkt dat het uitstellen van een grondbemonstering AM weinig zin heeft.Voordeel van het direct na aardappelen bemonsteren is dat er eerder ingespeeld kan worden op het aantreffen van een besmetting. Er is dan voldoende tijd om een ras (consumptie of fabrieks) met de juiste resistentie te kiezen of eventueel andere maatregelen te nemen.
Misverstanden
Laatst is er een cursus gegeven door aaltjesspecialisten van verschillende instellingen: Leendert Molendijk (PPO AGV) Thomas Been (PRI) en Hetty Regeer (Agrifirm Plant). Hierin zijn een aantal misverstanden besproken die in de loop van de tijd zijn ontstaan met betrekking tot de bemonstering van AM. Omdat wij als bemonsterende instantie vaak met deze misverstanden worden geconfronteerd, zijn ze hier nog eens onder elkaar gezet:
Lees meer »
1) De meeste aardppelcysten bevinden zich na het rooien in de bovenste 5cm, het is daarom beter om te bemonsteren na een kerende grondbewerking (ploegen). Op deze manier wordt de kans op het vinden van een cyste, met als het gevolg het opleggen van een besmetting, verkleind.
Deze aanname blijkt niet te kloppen. Het PRI in Wageningen heeft namelijk in het verleden uitgebreid onderzoek gedaan naar de verticale cystenverdeling in de bouwvoor. Hieruit bleek dat de verticale verdeling van cysten in de bouwvoor, in alle bij het onderzoek betrokken percelen (totaal 32) en teeltgebieden (klei en zand) uniform was en onafhankelijk was van het tijdstip van bemonstering na de aardappelteelt. Op basis hiervan kan gezegd worden dat er geen verschil in opsporingskans is wanneer er direct na het rooien van aardappelen (in augustus) wordt bemonsterd of na het ploegen (in het voorjaar).
De resultaten van dit onderzoek zijn in de onderstaande tabel weergegeven.
Opmerking:
Alleen bij zeer hoge dichtheden, en wanneer als gevolg hiervan het wortelstelsel van de planten door groeiremming klein is, kunnen er in de bovenste 5 cm meer cysten worden gevonden. Dergelijke hoge besmettingen worden zelden in Nederland aangetroffen en zeker niet op pootgoedpercelen.
2) Als er bij een onderzoek 3 cysten zijn gevonden, zitten er niet veel cysten in het perceel
Dit aantal gevonden cysten in een monster is het topje van de ijsberg. In de bouwvoor zijn dan inmiddels al miljoenen cysten aanwezig.
3) Een besmettingshaard heeft miljoenen cysten, die vind je ook met een klein grondmonster.
Helaas niet, er wordt maar weinig grond verzameld en er komt maar een fractie van de grond uit de besmettingshaard. Bij AM-ex (600 ml grond per ha.) wordt er per 55 m2 een prik genomen van 3 à 4 ml (zie foto).
4) Als er met een intensief onderzoek niets wordt aangetoond, kan er bij een extensief onderzoek ook niets gevonden worden.
Dit is een kwestie van kansen. Als de AMI-100 (7 à 8 liter grond per ha.) wordt vergeleken met de AM-ex (600 ml grond per ha.) kan daar het volgende over worden gezegd. Bij AMI-100 kan een haard worden gemist met een bepaalde kans, terwijl met een AM-ex men de pech kan hebben een keer een kleine haard toch op te sporen. Een haard met 100 cysten/kg grond wordt met AMI-100 met 90% kans opgespoord. Dat betekent dat in 1 op 10 gevallen deze haard niet wordt gevonden. Met AM-ex is de kans dat een dergelijke haard wordt opgespoord ruim 20%, maar dat is helaas geen 0%. Grofweg zal het niet opsporen met de AMI-100 en wel vinden bij de AM-ex 1 op de 50 keer voorkomen.




.jpg)