Omdat de NAK als bemonsterende instantie vaak met misverstanden rondom grondbemonstering voor AM wordt geconfronteerd, is hieronder een aantal misverstanden opgesomd met toelichting van aaltjesspecialisten Leendert Molendijk (PPO AGV), Thomas Been (PRI) en Hetty Regeer (Agrifirm Plant).

Klik hieronder op de tekst of het groene plusje om de uitleg te lezen.

1) De meeste aardppelcysten bevinden zich na het rooien in de bovenste 5 cm, het is daarom beter om te bemonsteren na een kerende grondbewerking (ploegen). Op deze manier wordt de kans op het vinden van een cyste, met als gevolg het opleggen van een besmetting, verkleind.

Deze aanname blijkt niet te kloppen. Het PRI in Wageningen heeft namelijk in het verleden uitgebreid onderzoek gedaan naar de verticale cystenverdeling in de bouwvoor. Hieruit bleek dat de verticale verdeling van cysten in de bouwvoor, in alle bij het onderzoek betrokken percelen (totaal 32) en teeltgebieden (klei en zand) uniform was en onafhankelijk van het tijdstip van bemonstering na de aardappelteelt. Op basis hiervan kan gezegd worden dat er geen verschil in opsporingskans is wanneer er direct na het rooien van aardappelen (in augustus) wordt bemonsterd of na het ploegen (in het voorjaar).

De resultaten van dit onderzoek zijn in de onderstaande tabel weergegeven.

Opmerking:
Alleen bij zeer hoge dichtheden, en wanneer als gevolg hiervan het wortelstelsel van de planten door groeiremming klein is, kunnen er in de bovenste 5 cm meer cysten worden gevonden. Dergelijke hoge besmettingen worden zelden in Nederland aangetroffen en zeker niet op pootgoedpercelen.

2) Als er bij een onderzoek 3 cysten zijn gevonden, zitten er niet veel cysten in het perceel.

Dit aantal gevonden cysten in een monster is het topje van de ijsberg. In de bouwvoor zijn dan inmiddels al miljoenen cysten aanwezig.

3) Een besmettingshaard heeft miljoenen cysten, die vind je ook met een klein grondmonster.

Helaas niet, er wordt maar weinig grond verzameld en er komt maar een fractie van de grond uit de besmettingshaard. Bij AM-ex (600 ml grond per ha.) wordt er per 55 m2 een prik genomen van 3 à 4 ml (zie foto).

4) Als er met een intensief onderzoek niets wordt aangetoond, kan er bij een extensief onderzoek ook niets gevonden worden.

Dit is een kwestie van kansen. Als de AMI-100 (7 à 8 liter grond per ha.) wordt vergeleken met de AM-ex (600 ml grond per ha.) kan daar het volgende over worden gezegd. Bij AMI-100 kan een haard worden gemist met een bepaalde kans, terwijl met een AM-ex men de pech kan hebben een keer een kleine haard toch op te sporen. Een haard met 100 cysten/kg grond wordt met AMI-100 met 90% kans opgespoord. Dat betekent dat in 1 op 10 gevallen deze haard niet wordt gevonden. Met AM-ex is de kans dat een dergelijke haard wordt opgespoord ruim 20%, maar dat is helaas geen 0%. Grofweg zal het niet opsporen met de AMI-100 en wel vinden bij de AM-ex 1 op de 50 keer voorkomen.