De laatste jaren wordt er steeds vaker niet meer direct na (poot)aardappelen op AM bemonsterd. De bemonstering wordt uitgesteld en op een later tijdstip in de rotatie uitgevoerd. Een veel gehoorde reden hiervoor is, dat de teler er vanuit gaat dat de kans op het vinden van een besmetting dan lager zou zijn. Het moment van bemonsteren heeft echter nauwelijks invloed op de kans op opsporing van een besmetting.

Om dit te begrijpen is enige kennis over het aardappelcysten-aaltje vereist:

Een nieuwgevormde aardappelcyste (gevormd als gevolg van de teelt van een “vatbaar” aardappelras) bevat 200 tot 300 eieren met in ieder ei een larve (zie de rechter foto). De foto links is een cyste.

Wanneer er geen bestrijdingsmaatregelen worden genomen en er andere gewassen dan aardappelen worden geteeld, zal ieder jaar ca. één derde van de larven dood gaan. Dit komt, omdat deze larven spontaan worden gelokt terwijl er geen aardappelplant aanwezig is. Zij kunnen zich dus niet voeden en gaan dood. In de praktijk betekent dat, dat de besmetting na 10 tot 15 jaar vrijwel verdwenen is en de inhoud van de aardappelcyste leeg of dood zal zijn.

Bestrijdingsmaatregelen waarmee een snellere afname van het aantal levende larven kan worden behaald, zijn:

  1. teelt van een resistent ras (consumptie of fabrieks);
  2. teelt van een vanggewas (aardappelen of raketblad);
  3. grondontsmetten.

1) Hierbij worden de larven actief uit de cysten gelokt, maar kunnen zich vervolgens niet voeden en gaan dood.

2) Bij de teelt van het vanggewas raketblad gebeurt hetzelfde. Bij aardappelen als vanggewas worden de larven ook actief gelokt, maar voor zij een nieuwe cyste hebben kunnen vormen, wordt het gewas doodgespoten. De aaltjes die zich op de plant voeden, gaan ook dood.

3) Hierbij worden de larven rechtstreeks gedood.

Met bovengenoemde maatregelen wordt echter vrijwel nooit een bestrijding van 100% bewerkstelligd, maar deze ligt vaak tussen de 40% en 90%.

Een besmetverklaring wordt opgelegd wanneer er een aardappelcyste wordt aangetroffen met levende inhoud. Dat betekent dat het niet uitmaakt of er nu bijvoorbeeld 10 of 200 levende larven in een cyste zijn aangetroffen. Er is dus geen verschil tussen een bemonstering direct na de oogst van (poot)aardappelen, waarbij er een aardappelcyste wordt aangetroffen met 200 levende larven of een bemonstering, waarbij deze cyste na enkele jaren wordt aangetroffen met (200 x 2/3 x2/3) ca. 90 larven. Het bemonsteren voor of na een bestrijdingsmaatregel (eventueel inclusief enkele niet aardappeljaren) kan natuurlijk wel het verschil geven tussen het aantreffen van een gevulde cyste met levende inhoud en een cyste met dode (lege) inhoud.

Een ander niet onbelangrijk misverstand dat vaak wordt gehoord is, dat bij een bemonstering in het voorjaar de kans veel kleiner zou zijn op het vinden van een AM-besmetting dan bij een najaarsbemonstering direct na het rooien. Veelal wordt geredeneerd dat na het rooien alle cysten boven in de rooigrond liggen en de cysten na een kerende grondbewerking worden ondergeploegd. Deze redenering is al geruime tijd geleden weerlegd met een uitgebreid onderzoek door het PRI in Wageningen, waaruit bleek dat het bemonsteringstijdstip (najaar of voorjaar) nauwelijks verschil gaf. De conclusie van dit onderzoek was dat de cysten goed verdeeld in de bouwvoor voorkomen.

Uit bovenstaande blijkt dat het uitstellen van een grondbemonstering AM weinig zin heeft. Het voordeel van het direct na de aardappeloogst bemonsteren, is dat er eerder ingespeeld kan worden op het aantreffen van een besmetting. Er is dan voldoende tijd om een ras (consumptie of fabrieks) met de juiste resistentie te kiezen of eventueel andere maatregelen te nemen.