De vaste commissie voor pootaardappelen heeft, met inachtneming van de bestaande voorschriften en reglementen van de NAK voor de partijkeuring van pootaardappelen oogst 2025 de volgende aanwijzingen vastgesteld.
1. Algemeen
1.1 Start partijkeuring
Een partij wordt niet gekeurd, als het pootgoed niet ten minste veertien dagen voor de datum van keuring is gerooid. De schil van de knollen moet voldoende afgehard zijn. Vochtige partijen worden niet gecertificeerd, tenzij dit betrekking heeft op een behandeling van de partij en voldoende voorzorgsmaatregelen zijn genomen voor een snelle droging. De partijkeuring wordt opgeschort als gevaar bestaat op uitbreiding van ziekten die zijn opgenomen onder het hoofdstuk Ziekten. Voorafgaande aan de certificering moet van elke bruto partij het gerooide gewicht vastgelegd zijn in kilogrammen, in het systeem van de NAK.
1.2 Controle op balen/kratten
Bij het klaarmaken van een partij moeten de certificaten worden gebruik in de volgorde van nummering. De keurmeester moet de partij steekproefsgewijs op verschillende plaatsen beoordelen om na te gaan of de partij voldoende homogeen is. De afwijkende knollen worden per verpakkingseenheid afzonderlijk verzameld en geteld. Per partij moet minimaal 0,5% van het aantal balen, of minder als de partij homogeen is, worden geïnspecteerd.
1.3 Snijden van knollen
De uit een partij verwijderde knollen moeten voor beoordeling aan de keurmeester beschikbaar gesteld worden. In eerste instantie moet de inhoud van de afvalbak, het uitschot, worden geïnspecteerd en moeten knollen worden doorgesneden. Van elke (bruto)partij¹ moeten bij elke keuring knollen worden doorgesneden, bij de eerste keuring minimaal 20 knollen. Knollen die uit de baal of partij worden genomen, moeten in ieder geval worden doorgesneden.
1.4 Voldoende licht
De partijen moeten bij voldoende licht, bij voorkeur daglicht, worden gekeurd. Er mag niet gekeurd worden in de schemering of in donkere of niet voldoende verlichte bewaarplaatsen of andere ruimten.
1.5 Het poetsen van een te beoordelen partij
De partijen worden gekeurd in de staat waarin ze worden aangeboden. Indien de partij echter niet goed te beoordelen is, kan men deze door middel van poetsen in een zodanige staat laten brengen, dat keuring wel mogelijk is.
1.6 Temperatuur bij sorteren
Bij de geringste aanwijzing voor blauw- of drukplekken als gevolg van sorteren bij een temperatuur lager dan 9°C en bij sorteren van partijen met kiemen, geldt een quarantaine van drie dagen. De temperatuurmeting wordt uitgevoerd met een nauwkeurigheid van + 1ºC.
1.7 Vastlegging beoordelingen
Tijdens de bemonstering van partijen voor het laboratoriumonderzoek, krijgt de keurmeester een indruk van de ongesorteerde bruto partij. De partijen met een minder dan gemiddeld kwaliteitsniveau, inclusief partijen met een verhoogd risico op uitbreiding van bewaarziekten, worden geregistreerd. Aan deze partijen wordt extra aandacht besteed bij de keuring in het kader van certificering.
¹Hieronder wordt verstaan: de opbrengst van een of meerdere percelen van een bedrijf, van hetzelfde ras en dezelfde klasse
De beoordelingen van de klaargemaakte partij worden vastgelegd in een keuringsrapport. Als de kwaliteit of hoedanigheid van de partij wijzigt, wordt voor het betreffende gedeelte een nieuw keuringsrapport opgemaakt.
1.8 Beslissingen inzake het plantenpaspoort
Als tijdens de partijkeuring één van bij de fytosanitaire inspectie genoemde ziekten is geconstateerd, kan er geen of slechts onder beperkte voorwaarden een plantenpaspoort worden afgegeven. Deze beslissing moet schriftelijk gegeven worden met vermelding van de reden. Hierbij wordt ook aangegeven dat de keuring is gestaakt en bij welke instantie een bezwaarschrift kan worden ingediend. Tegen een beslissing in het kader van fytosanitaire inspecties ten behoeve van de afgifte van het plantenpaspoort bestaat alleen bij de overheid een mogelijkheid van beroep.
2. Toleranties voor ziekten en gebreken
Voor ziekten en gebreken zijn de hieronder genoemde aantallen aangetaste knollen toegestaan.
| Per 50 kg maximum aantal: |
Groep 1
25/28 |
Groep 2
25/35, 25/40 |
Groep 3
25/50, 25/55* |
Groep 4
Overige met |
| Ziekten + gebreken | 20 | 12 | 6 | 4 |
| Waarvan sporadisch natrot, droogrot en Phytophythora |
||||
| Hardgroene knollen | 120 | 60 | 25 | 15 |
| Per 25 kg maximum aantal: |
Groep 1
25/28 |
Groep 2
25/35, 25/40 |
Groep 3
25/50, 25/55* |
Groep 4
Overige met |
| Ziekten + gebreken | 10 | 6 | 3 | 2 |
| Waarvan sporadisch natrot, droogrot en Phytophythora |
||||
| Hardgroene knollen | 60 | 30 | 12 | 7 |
* Deze maten zijn enkel toegestaan voor 3e landen en niet binnen de EU.
3. Ziekten
3.1 Ziekten algemeen
Bij de beoordeling op ziekten wordt onder andere gelet op het voorkomen van:
- Aardappelziekte (Phytophthora infestans)
- Alternaria (Alternaria solani)
- Droogrot (Fusarium spec., Phoma exigua, Phoma exigua f.sp. exigua, Phoma foveata)
- Gewone schurft (Streptomyces spec.)
- Poederschurft (Spongospora subterranea)
- Pukkelschurft (Polyscytalum pustulans)
- Rhizoctonia (Rhizoctonia solani)
- Roodrot (Phytophthora erythroseptica)
- Violet wortelrot (Helicobasidium brebinonii = Rhizoctonia crocorum)
- Wratziekte (Synchytrium endobioticum)
- Zilverschurft (Helminthosporum solani)
- Zwarte spikkel (Colletotrichum coccodes)
- Bruinrot (Ralstonia solanacearum)
- Natrot (Pectobacterium spp., Dickeya spp.)
- Rattekeutelziekte (Sclerotinia sclerotiorum)
- Ringrot (Clavibacter sepedonicus)
- Aaltjes, met name:
- Stengelaaltje (Ditylenchus dipsaci)
- Destructoraaltje (Ditylenchus destructor)
- Cysten van aaltjes (Globodera spp., Globodera pallida, Globodera rostochiensis)
- Wortelknobbelaaltje (Meloidogyne spp., Meloidogyne chitwoodi en M. fallax)
- Krenterigheid (pseudo-netnecrose)
- Kringerigheid
- Stengelbontnecrosen
- Netnecrose
- Oogziekte
Alsmede eventuele andere ziekten.
3.2 Fytosanitaire inspectie
De fytosanitaire inspecties, nodig voor afgifte van het plantenpaspoort, worden door de NAK uitgevoerd volgens de eisen die zijn opgenomen in het uitvoeringsprotocol behorende bij de ‘Meerjarige overeenkomst’. Hierbij moet worden gelet op symptomen van wel of niet in de EU voorkomende quarantaineorganismen en a-typische symptomen. Voor de genoemde organismen geldt een nultolerantie of gelden beperkingen. Vondsten van deze organismen moeten worden gemeld aan de NVWA volgens de geldende instructies van de NVWA.
3.2.1 In Nederland voorkomend
- Bruinrot (Ralstonia solanacearum) en Ringrot (Clavibacter michiganensis)
Bij verdachte symptomen moet de partij worden vastgelegd en volgt direct een melding aan de NVWA. Als uit nader onderzoek door de NVWA een besmetting wordt vastgesteld, worden door de NVWA maatregelen genomen. - Wratziekte (Synchytrium endobioticum)
Als wratziekte in een perceel of partij wordt aangetroffen, wordt de keuring gestaakt, wordt de reeds verleende voorlopige of definitieve goedkeuring teruggekomen en wordt de wratziekte-vondst voor verdere afhandeling aan de NVWA overgedragen. - Coloradokever (Leptinotarsa decemlineata)
Eisen m.b.t. de coloradokever gelden alleen voor de landen/gebieden Finland, Menorca, Ibiza, Ierland, Azoren, Madeira. - Wortelknobbelaaltje (M. chitwoodi en M. fallax)
In partijen pootaardappelen mogen geen knollen voorkomen met door Meloidogyne chitwoodi en Meloidogyne fallax veroorzaakte symptomen.
3.2.2 Niet in Nederland voorkomend
- Snuitkever (Premnotrypes spp.)
- Vals wortelknobbelaaltje (Nacobbus aberrans)
3.3 Schurft
Als grens voor goedkeuring geldt de aantasting die overeenkomt met de hieronder vermelde schurftschaal van de NVWA. Deze geldt voor klassen PB, S, SE, E en A:
- Gewone schurft en poederschurft: schaal 2 ½
- Oppervlakkige en graslandschurft: schaal 3/2
3.4 Pukkelschurft
In de partijen van de klassen PB, S, SE en E mogen geen knollen met symptomen van pukkelschurft voorkomen. Voor de klasse A geldt:
- 95% van het aantal knollen moet vrij zijn van pukkelschurft.
- Op de aangetaste knollen mogen slechts enkele weinig opvallende pokjes voorkomen.
3.5 Zilverschurft
Knollen die slap zijn geworden of sterk zijn gerimpeld als gevolg van een aantasting door zilverschurft, mogen niet in de partij voorkomen.
3.6 Rhizoctonia
Voor de beoordeling op Rhizoctonia wordt gebruik gemaakt van de fotoschaal van de NVWA. Als grens voor goedkeuring geldt het volgende percentage knollen, dat licht met sclerotiën is bezet:
- Klassen PB, S en SE: 10%
- Klassen E en A: 25%
Voor de vaststelling van het percentage aangetaste knollen worden knollen met enkele kleine sclerotiën niet meegerekend.
3.7 Natrot, droogrot en Phytophthora
Elk van deze aantastingen mag slechts sporadisch in de partij voorkomen, namelijk één aangetaste knol per 250 kg. Als er meer dan sporadisch Fusarium- of Phoma-droogrot voorkomt, geldt na het sorteren een quarantaineperiode van maximaal drie weken. Hiervoor kan worden volstaan met een gedeelte van de partij (minimaal één dagproductie). De beoordeling na quarantaine van dit gedeelte van de partij is bepalend voor het ongesorteerde gedeelte, mits er geen noemenswaardige uitbreiding heeft plaatsgevonden. Wordt na tweemaal sorteren, beide keren gevolgd door een quarantaineperiode van drie weken, steeds weer rot boven de norm in de partij geconstateerd, dan moet deze definitief worden afgekeurd.
3.8 Aaltjes
In geen enkele klasse mogen aaltjeszieke knollen voorkomen.
3.9 Phytophthora – ‘jong ziek’
Zogenaamd “jong ziek” mag niet in een partij mag voorkomen. Wordt “jong ziek” in een partij aangetroffen, dan geldt de werkwijze onder Natrot, droogrot en Phytophthora.
3.10 Ziekten met een nulnorm
Voor de volgende ziekten geldt in alle klassen een nulnorm.
- Aardappelspoelknolviroïde (PSTVd)
- Candidatus Liberibacter solanacearum (Zebrachips)
- Ditylenchus destructor
- Candidatus Phytoplasma solani
4. Gebreken
4.1 Beoordeling op gebreken
Bij de beoordeling op gebreken wordt onder meer gelet op:
- Beschadiging als gevolg van doodspuiten
- Beschadigingen
- Blauw- of grauwvlezigheid
- Bloedaardappelen
- Dode of blinde ogen
- Doorwas
- Draadspruiten
- Drukplekken
- Glazigheid
- Groeischeuren
- Hardgroene knollen
- Holle knollen
- Ingeschrompelde topogen
- Koude- of vorstbeschadiging
- Krenterigheid (pseudo-netnecrose)
- Kringerigheid
- Misvormde knollen
- Netnecrosen
- Ontvellingen
- Pseudo-wratziekte
- Slappe of sterk gerimpelde knollen
- Spruiten (kiemen)
- Stengelbontnecrosen
- Stukken
- Vreterij
- Zonnebrandvlekken
- Zwarte harten
4.2 A.B.C.-ziekte
Symptomen van A.B.C.-ziekte worden gerekend als gebreken.
4.3 Kiemen
De kiemlengte mag niet groter zijn dan 2 cm.
4.4 Hardgroene knollen
Dit zijn knollen met uitwendige, duidelijk waarneembare, hardgroene plekken die groter zijn dan 1/8 deel van het knoloppervlak.
4.5 Zwaar ontvelde knollen
Zwaar “ontvelde” knollen mogen niet in de partij voorkomen. Onder zwaar ontvelde knollen wordt verstaan: knollen die voor meer dan 25% van het knoloppervlak een bruine en iets verharde schil hebben.
4.6 Beschadigingen (lichte)
Lichte beschadigingen worden bij de beoordeling buiten beschouwing gelaten, mits de partij verder een gezonde indruk maakt en geen ontwikkeling van rot vertoont. Als licht beschadigd worden beschouwd knollen met ten hoogste twee weinig opvallende, oppervlakkige plekjes met een doorsnede tot 1 cm. Voor rooibeschadiging zie 4.10.
4.7 Glazigheid
Licht glazige knollen worden niet gerekend. Bij de klassen PB t/m A mag ten hoogste 6% van de knollen matige glazigheid vertonen. Knollen met zware glazigheid mogen niet voorkomen. Onder matig glazige knollen worden verstaan:
- knollen waarvan meer dan 25% van het snijoppervlak (van navel tot top) glazig is, of
- knollen die een begin van voosheid vertonen.
Zwaar glazige knollen zijn knollen die voor meer dan de helft voos zijn of die al hol zijn. Partijen, waarin tijdens het sorteren rotte knollen voorkomen als gevolg van glazigheid, moeten volgens de werkwijze als beschreven onder Natrot, droogrot en Phytophthora in quarantaine worden gezet.
4.8 Kringerigheid, necrotische vlekken en holle knollen
Knollen met lichte en matige inwendige kringerigheid, necrotische vlekken en holle knollen worden toegestaan tot maximaal 6% bij de klassen PB t/m A. Knollen met meer dan twee plekjes van maximaal 8 mm doorsnede op het doorsnijvlak worden beschouwd als matig inwendig gebrek.
4.9 Groeischeuren
Geldig voor klasse PB t/m A
|
Onbeperkt |
|
Norm gebreken |
4.10 Drukplekken, stootblauw en rooibeschadigingen
Bij de beoordeling op drukplekken en blauw wordt onderscheid gemaakt in drie categorieën. Als grens voor goedkeuring geldt de hieronder per categorie aangegeven tolerantie voor de klassen PB t/m A.
| Drukplekken/rooibeschadigingen | Tolerantie | |
|---|---|---|
| 1. | Kleine, oppervlakkige drukplekken en rooibeschadigingen (doorsnee <1 ½ cm en < 3 mm diep) | Onbeperkt |
| 2. |
Als richtlijn geldt een tolerantie van gemiddeld 2 drukplekken per knol |
Max. 6% |
| 3. | Grote diepe drukplekken² en rooibeschadigingen (doorsnee > 1½ cm en >3 mm diep) | Valt onder norm voor gebreken |
| Stootblauw (mechanisch blauw) | Tolerantie | |
|---|---|---|
| 1. | Licht blauw (plekjes tot 1 cm doorsnee en max. 3 mm diepte; max. 2 plekjes per knol) |
Onbeperkt |
| 2. | Matig blauw Meer dan twee plekjes “licht” blauw per knol, en/of max. 25% van het snijvlak is blauw (NVWA-norm) |
Max. 6% |
| 3. | Zwaar blauw Meer dan 25% van het snijvlak is blauw |
Valt onder norm voor gebreken |
²Onder diepe drukplekken wordt verstaan: meer dan 3 mm diep in de knol ingezonken drukplekken, inclusief het eventueel daaronder voorkomende blauw.
4.11 Zwarte harten, pseudo-netnecrose en andere necrosen
Van knollen met zwarte harten, pseudo-netnecrose en eventuele andere niet genoemde necrosen mag niet meer dan 1 knol per 50 kg voorkomen.
4.12 Inwendige gebreken (matig)
Het totaal van:
- Matig glazigheid
- Matig kringerigheid, necrotische vlekken, holle knollen
- Matig blauw/grote drukplekken
mag niet meer zijn dan 6% bij de klassen PB, S, SE, E en A
4.13 Koudebeschadiging
Een partij met koudebeschadiging moet tenminste twee weken onder controle worden gehouden bij hogere temperaturen. Als hierna alleen uitwendige koudebeschadiging voorkomt, kan de partij worden gesorteerd of overgesorteerd. Bij inwendige koudebeschadiging wordt de partij afgekeurd, tenzij het om een gering aantal knollen met een zeer lichte aantasting gaat.
4.14 Verontreinigingen
Losse grond, resten van stro, loof, kaf, kiemen, etc. mogen niet in een partij voorkomen. Een partij mag niet meer dan 1% aan de knollen klevende grond bevatten. Grondkapjes op knollen mogen maximaal 3 mm dik zijn.
5. Bijzondere bepalingen voor de klasse B
5.1 Normen klasse B
| Ziekten | Normen |
|---|---|
| Gewone schurft / oppervlakkige schurft / graslandschurft | Max. 5% van de massa heeft >1/3e bezetting |
| Poederschurft | Max. 3% van de massa heeft >10% bezetting |
| Pukkelschurft |
|
| Rhizoctonia | Max. 25% van de knollen mag matig met sclerotiën zijn bezet |
| Gebreken | |
| Glazigheid | Max. 10% van de knollen mag matige glazigheid vertonen |
| Groeischeuren | Er zijn geen beperkingen m.b.t. aantal per knol, lengte of ‘niet over de kop’. Voor de diepte geldt:
|
| Drukplekken |
|
| Stootblauw |
|
| Uitwendige gebreken | 3x norm gebreken |
| Sterk gerimpelde knollen | 1% aantal knollen |
| Ritnaalden | Max. 20 gaatjes per knol |
| Ontvelde knollen | Onbeperkt |
| Inwendige gebreken | Onbeperkt voor:
|
| Aanhangende grond | Max. 2% |
| Groene knollen | Onbeperkt |
5.2 Waardering II
Partijen pootaardappelen van de klasse PB, die niet voldoen aan de gestelde partijkeuringseisen maar wel aan de normen voor de klasse B, kunnen worden afgeleverd met een PB-certificaat met de aanduiding “Waardering II”.
6. Sorteringen
6.1 Algemeen
Een partij pootaardappelen moet de maatsortering behouden, zoals het perceel of de percelen die hebben opgeleverd. Een partij pootaardappelen mag gesplitst worden op kwaliteitskenmerken. Elke deelpartij moet voldoen aan minimaal de normen voor klasse B. Bij het sorteren is het niet toegestaan andere dan zieke, beschadigde of abnormale knollen die in de opgegeven sortering vallen uit de te keuren partij te verwijderen of om knollen aan de partij toe te voegen. Als een partij al in verschillende sorteringen is gesplitst, dan mogen deze sorteringen niet worden samengevoegd zonder toestemming van de keurmeester.
6.2 Toegestane sorteringen
De volgende maatsorteringen zijn toegestaan:
- 25 mm/opwaarts.
- Bij een ondermaat <35 mm en een bovenmaat >35 mm moet de bovenmaat deelbaar zijn door 5.
- Bij een ondermaat vanaf 35 mm moeten zowel de ondermaat als de bovenmaat deelbaar zijn door 5.
- Voor aflevering binnen de EU mag het maximum verschil tussen de grootste en kleinste knollen van een partij niet meer dan 25 mm zijn.
6.3 Onder- en bovenmaat
Voor de maximaal toegestane afwijking (gewichts-%) in de maatsortering geldt:
- Ondermaatse knollen: 3%. Maximaal de helft van het ondermaatse gedeelte van de partij mag maximaal 3 mm afwijken. Voor de rest van het ondermaatse gedeelte is een afwijking van 1 mm toegestaan.
- Bovenmaatse knollen: 2%. Voor het bovenmaatse gedeelte is een afwijking van maximaal 1 mm toegestaan.
6.4 Speling bij lange rassen
Voor de rassen Allians, Annabelle, Arinda, Charlotte, Exquisa, Felsina, Lady Anna, Linzer Delikatess, Mondial, Nicola, Russet Burbank, Santana, Spunta, Timate en Zorba zijn voor de maat 28/35 mm 9% (gewichts-%) en voor de maten boven de 35 mm 15% (gewichts-%) ondermaatse knollen toegestaan. Hetzelfde geldt voor eventueel nog door de vaste commissie, op voorstel van het handelshuis, aan te wijzen rassen. De rassen moeten voldoen aan het volgende criterium: rassen die gemiddeld een lengte hebben die tenminste gelijk is aan 2x de grootste breedte
7. Opslag van partijen
7.1 Separate opslag
In een ruimte waarin de opslag en bewerking van partijen pootaardappelen plaatsvindt mogen geen partijen consumptieaardappelen worden opgeslagen, behalve als er een afdoende scheiding is aangebracht. Een gelijktijdige bewerking van pootaardappelen en consumptieaardappelen in dezelfde ruimte is verboden, tenzij in bijzondere gevallen ontheffing van dit verbod is verleend en de bewerking onder direct toezicht van de keurmeester plaatsvindt. In de opslagruimte moet een plattegrond van de opgeslagen partijen aanwezig zijn.
7.2 Netten
Netten mogen alleen als scheiding gebruikt worden voor te velde goedgekeurde partijen van hetzelfde ras of van rassen met een duidelijk verschil in schilkleur.
7.3 Partij-identificatie
Partijen die ongecertificeerd zijn opgeslagen, hetzij in zakken, hetzij in kisten of los gestort, moeten voorzien zijn van een door de NAK voorgeschreven identificatielabel waarop de gegevens betreffende ras, telernummer, perceelnummer en oogstjaar zijn vermeld. Bij samengevoegde partijen moet het telernummer en de grootte van elk der samenstellende delen worden vermeld. Tijdens het bewerkingsproces mag één partij ongeïdentificeerd aanwezig zijn.
7.4 Kiemremmende stoffen
Ruimten waarin als gevolg van fruitopslag stoffen voorkomen die een kiemremmende werking hebben mogen niet worden gebruikt voor de opslag van pootaardappelen, tenzij de houder van de partij naar tevredenheid van de NAK heeft aangetoond dat door voldoende ventilatie de nadelige werking is verdwenen. De opslag van pootaardappelen in ruimten waarin met kiemremmende stoffen, met uitzondering van de kiemreguleringsmiddelen voor pootaardappelen, is gewerkt kan ernstige gevolgen hebben voor de kieming van dit pootgoed. Een exacte vaststelling van de gevolgen is, in verband met de mate en de tijdsduur van de aanwezigheid van residu van de kiemremmingsmiddelen in het hout e.d. van de bewaarplaats, niet mogelijk. De opslag van pootgoed in ruimten waarin met kiemremmende stoffen (chloor-IPC, Argos, 1,4sight, Biox-M) is gewerkt is niet toegestaan, tenzij de houder van de partij naar het oordeel van de NAK maatregelen heeft genomen ter voorkoming van het gevaar van een verminderde kieming. Het voorgaande geldt niet voor het door het Ctgb goedgekeurde kiemreguleringsmiddelen. Toepassing van ethyleen moet voorafgaande aan de keuring worden gemeld aan de keurmeester, in verband met ARBO-risico’s.
8. Samenvoegingen van partijen
8.1 Samenvoeging stammen (PB1 t/m PB4)
- Het samenvoegen van de opbrengsten van percelen, beplant met uitgangsmateriaal afkomstig van eenzelfde stam, wordt niet als het verkrijgen van een mengstam beschouwd.
- Mengstammen en vitro-stammen worden geadministreerd met respectievelijk een “M” of een “V”.
- Elke samenvoeging van stammen moet bij de aangifte van stammen worden opgegeven.
8.2 Samenvoegingen partijen pootgoed
Alleen partijen van hetzelfde bedrijf, dus zelfde telernummer, mogen worden samengevoegd. Bij verschillende klassen worden de laagste klasse en de ‘oudste’ generatie van deze partijen toegekend aan de samengevoegde partij. Voorbeeld: PB2 + PB3 wordt PB3; S(G3) + E(G6) wordt E (G6).
8.3 Verdere eisen i.v.m. samen te voegen partijen
- Het samenvoegen van de oogst van een ras afkomstig van hetzelfde bedrijf is toegestaan bij pootgoed dat te velde is goedgekeurd.
- Partijen die niet aan de partijkeuringseisen voldoen, mogen niet worden samengevoegd met andere partijen.
- Het uiterlijk van de samen te voegen partijen moet zodanig zijn, dat een zo uniform mogelijke partij wordt verkregen.
9. Verpakkingen en certificering
9.1 Verpakkingen
Verschillende soorten verpakkingsmateriaal is toegestaan om pootgoed in te verpakken. Het pootgoed mag verpakt worden in de volgende verpakkingsmaterialen:
- Jute zakken
- Kunststofzakken
- Kisten
- Kratten
- Kartonnen dozen
Certificering van pootaardappelen in ander verpakkingsmateriaal is toegestaan, mits deze goed afsluitbaar is, dit ter beoordeling van de keurmeester.
Het materiaal om pootgoed in te verpakken moeten aan de volgende eisen voldoen:
- De verpakking is nieuw
- De verpakking is van goede kwaliteit
- De verpakking is voldoende sterk
- De verpakking moet goed afsluitbaar zijn
- De jumbozakken moeten voldoende ventileren
Bij hercertificering mogen dezelfde zakken alleen voor dezelfde partij opnieuw worden gebruikt als ze schoon, droog en niet beschadigd zijn.
9.2 Certificering van zakken
Bij het machinaal dichtnaaien van zakken moet gebruik gemaakt worden van de zgn. “kettingsteek”, waarbij voor het naaien één of twee aparte draden worden gebruikt. Bij het aanbrengen van het certificaat is het volgende van belang:
- Het certificaat moet zodanig worden ingenaaid dat de daarop vermelde gegevens ook na afscheuren leesbaar blijven.
- De certificaten zijn bestemd voor éénmalig gebruik, tweemaal doornaaien is niet toegestaan. In geval van hercertificering moeten nieuwe certificaten gebruikt worden.
- Het sluiten van de zak en het aanbrengen van het certificaat dient in één handeling te geschieden. Het is dus niet toegestaan het certificaat op een hoek van de zak aan te naaien, of de zakken tweemaal door te naaien.
9.3 Certificering van kratten
De certificering moet worden uitgevoerd met het certificaat zonder ring en hierbij wordt geen trekzegel aangebracht. Het certificaat wordt aan één van de korte zijkanten op het inspringende gedeelte aan de buitenkant met ten minste vier nieten aan de krat gehecht. Bij gebruik van kunststof kratten met zelfsluitende deksels worden plakcertificaten gebruikt.
9.4 Certificering in kartonnen dozen
De certificering van pootaardappelen in kartonnen dozen moet worden uitgevoerd met het daarvoor bestemde plakcertificaat en het NAK-sluitzegel.
9.5 Certificering in kisten en jumbozakken
- De sluitingen moeten met een trekzegel worden verzegeld, waarbij aan één van de sluitingszijden een certificaat onder het trekzegel wordt aangebracht.
- De vulopening en de opening aan de onderzijde van de jumbozak moeten worden gesloten met een stevig koord. Aan de zijde van de vulopening wordt onder het trekzegel een certificaat aangebracht.
- Bij de certificeringsopdracht moet worden aangegeven wat het vulgewicht van de kist of jumbozak zal zijn. Met betrekking tot de gewichtsaanduiding op het certificaat zijn er twee mogelijkheden:
- Het vooraf opgegeven gewicht wordt samen met de andere gegevens op het certificaat geprint. Controle door de keurmeester van het opgegeven gewicht worden gedaan met daarvoor geschikte en op het bedrijf aanwezige weegapparatuur.
- het gewicht wordt niet vooraf opgedrukt, maar wordt er door de keurmeester met een stempelapparaat op gestempeld. Dit mag een geschat gewicht zijn. Het gewogen gewicht wordt dan later op de certificeringsopdracht genoteerd.
- De gehele inhoud van de kist of jumbozak moet gekeurd kunnen worden. Tijdens zijn bezoek keurt de keurmeester de partij op de band en in de reeds gevulde kisten of jumbozakken.
9.6 Certificering in kiembakken
Aflevering van voorgekiemd pootgoed in kiembakken moet plaatsvinden met gebruikmaking van een certificaat. Het certificaat moet op de kiembak worden geplakt, of met een trekzegel worden bevestigd.
9.7 Certificering in kleine verpakkingen
Certificering in kleine verpakkingen (tot 5 kg) is mogelijk (Richtlijnen: bijlage 2):
- Met een kleinverpakkingscertificaat van de NAK (1), met labels die in eigen beheer worden geprint (2) of met de certificeringsgegevens op de verpakking (3).
- In alle situaties is de minimaal voorgeschreven informatie op de labels of de verpakking opgenomen, conform het basismodel ‘kleinverpakking NAK’.
- Aanvullende informatie op label of verpakkingscertificaat is toegestaan, mits die in overeenstemming is met de gegevens van het ‘certificaat van herkomst’;
- De kleur van een ‘folie’ certificaat (of op een ‘capper’) moet in overeenstemming zijn met de betreffende categorie (dus wit voor ‘basis’ en blauw voor ‘gecertificeerd’)
9.8 Certificering in bulkeenheden
- Voor certificering in bulkeenheden komen alleen bulkeenheden in aanmerking die goed afsluitbaar/verzegelbaar zijn met maximaal zes trekzegels. Een bulkeenheid mag bestaan uit open zakken of kisten, mits het één sortering betreft.
- Voor een goede voortgang van de keuringswerkzaamheden is het vereist dat er een tijdige afstemming plaats heeft over het tijdstip van verladen en certificeren. Het bedrijfsleven draagt hiervoor zorg.
- De bulkpartij moet ten minste twee dagen vóór verlading zijn gesorteerd, gekeurd en indien van toepassing bemonsterd voor het grondonderzoek op AM. Als de partij voldoende homogeen is en zonder problemen klaar gemaakt kan worden kan toestemming worden verleend dat het gesorteerde product los in een box wordt opgeslagen. De keuring vindt dan plaats door meerdere keren tijdens het sorteren een hoeveelheid aardappelen “af te tappen” en volgens de geldende normen te keuren.
- De keurmeester bepaalt of hij bij de verlading aanwezig moet zijn, om nogmaals te controleren of de partij aan de normen voldoet, waarbij tevens wordt gelet op eventuele beschadigingen als gevolg van een te grote valhoogte. Elke opening moet afzonderlijk met een trekzegel worden verzegeld, in totaal maximaal zes per bulkeenheid. Onder één van de trekzegels wordt het certificaat aangebracht. De nummers van de trekzegels en certificaten moeten op de certificeringsopdracht worden genoteerd.
- De container, vrachtwagen, e.d. moet gereinigd zijn. Er mogen geen grond- en aardappelresten meer aanwezig zijn.
- Met betrekking tot de gewichtsaanduiding op het certificaat zijn er twee mogelijkheden:
- het vooraf opgegeven gewicht wordt samen met de andere gegevens op het certificaat geprint. Dit aangegeven gewicht moet dan ook werkelijk geladen zijn, voordat tot certificering kan worden overgegaan. Controle door de keurmeester van het opgegeven gewicht is noodzakelijk (bijv. via een weegbrug).
- het gewicht wordt niet vooraf opgedrukt, maar wordt er door de keurmeester met een stempelapparaat op gestempeld. Dit mag een geschat gewicht zijn. Het gewogen gewicht wordt dan later op de certificeringsopdracht genoteerd
- Een bulkpartij die retour wordt gestuurd, komt alleen voor hercertificering in aanmerking als de partij van een officiële sluiting en identificatie (herplombering door officiële buitenlandse instantie) is voorzien. Bulkpartijen die binnen Nederland zijn afgezet, behouden hun pootgoedstatus alleen als de identiteit van de partij redelijkerwijs kan worden vastgesteld, bijvoorbeeld levering in kisten.
- Indien voor het transport een open landbouwwagen of open kisten van de ontvangende teler/gebruiker worden gebruikt, en dit transport niet over de landsgrenzen gaat, wordt het certificaat met een trekzegel aan de landbouwwagen/kisten bevestigd.
10. Aanduidingen op verpakkingen en het certificaat
10.1 Aanduidingen op, aan of in de verpakkingen
Indien op, aan of in de verpakking aanduidingen voorkomen die betrekking hebben op de rasnaam, klasse, sortering, herkomst e.d., dan moeten deze in overeenstemming zijn met de gegevens op de bij de betreffende partij behorende certificaten. Een chemische behandeling moet of op het certificaat, óf op andere wijze, bijvoorbeeld op het leverancierslabel, worden vermeld. Op verzoek van de houder van de partij kan dit op het certificaat worden vermeld. Volgens opgave op de certificeringsopdracht moet dan de volgende tekst worden vermeld: “Volgens opgave behandeld met …” (de actieve stof van het gebruikte middel vermelden). In voorkomende gevallen kan op het certificaat melding worden gemaakt van de door de producent opgegeven wijze waarop het pootgoed is geteeld, bijvoorbeeld BD of EKO. Vermelding van de teeltwijze wordt ook hier voorafgegaan door de tekst: “Volgens opgave… (BD)..geteeld”.
Onder de volgende voorwaarden mag ook een leverancierslabel bij de sluiting worden meegenaaid:
- De tekst op het label mag geen reclame bevatten.
- De informatie mag niet strijdig zijn met de inhoud, maar moet betrekking hebben op zaken als inhoud, het gebruikte ontsmettingsmiddel, de teeltwijze van het pootgoed.
- Het label moet zodanig worden aangebracht dat het geen afbreuk doet aan de waarde en zichtbaarheid van het NAK-certificaat.
10.2 Algemeen
Het veranderen van de tekst van certificaten en andere bewijsstukken en de daarop gestelde aanduidingen en vermeldingen en het doen van doorhalingen maakt ongeldig.
10.3 Codering keuringsgebieden
Onderstaande gebiedscodes zijn als regel het eerste cijfer van het telernummer:
- Noord 1: 1
- Noord II: 4
- Midden: 5
- Zuid: 8
Op de NL-landkaart op het certificaat wordt het betreffende keuringsgebied aangegeven. Aan het telernummer kan het perceel nummer worden toegevoegd.
10.4 Stamnummer
Bij de klassen PB en S wordt het stamnummer op het certificaat vermeld, in geval van een niet gemengde traditionele (niet vitro) stam gevolgd door de aanduiding “T”.
10.5 Provincienaam
Indien vermelding van de provincienaam op het certificaat gewenst is, moet de teler dit bij de eerste certificeringsaanvraag kenbaar te maken. De vermelding van de provincienaam blijft dan het gehele seizoen van toepassing.
10.6 Generatienummer
Op verzoek wordt het generatienummer vermeld. Dit is het in de partij-administratie aan de partij toegekende nummer. In geval van samenvoeging is dat het nummer van de ‘oudste’ generatie. BPR-percelen/partijen met klasse A krijgen maximaal G8 (generatienummer 8). Kweekmateriaal onder bedrijfsinspectie is per definitie G0.
10.7 Datum op het certificaat
Op de certificaten wordt in alle gevallen de datum van afgifte vermeld. De certificaten dienen binnen vier weken, gerekend vanaf de datum van aanmaak, te worden gebruikt voor certificering, behalve bij de onder het punt Regeling voor de keuring … pootgoedbestemming nog onzeker is, genoemde regeling en het onder het punt certificering vitromateriaal genoemde materiaal.
10.8 Rhizomanie / Vermelding PZ-codes
Voor pootgoed dat conform de regeling ‘Rhizomanie’, vrij is bevonden van Rhizomanie, wordt automatisch de code BNYVV0 op het certificaat geprint. Voor de onderstaande landen/gebieden is deze code in elk geval verplicht:
- Ierland
- Noord-Ierland
- Finland
- Azoren (Portugal)
- Bretagne (Frankrijk)
Overige organismen
Op alle certificaten wordt de PZ-code LPTNDE (Coloradokever) standaard vermeld.
11. Andere manieren van certificeren
11.1 Hercertificering
Bij hercertificering moeten steeds nieuwe certificaten worden gebruikt waarop de nieuwe datum van certificering wordt vermeld. Bij hercertificering van buitenlandse partijen wordt dezelfde of, als dat niet mogelijk is, de daarmee vergelijkbare NL klasse vermeld. Een buitenlandse ‘Union grade’ blijft bij hercertificering altijd een Union grade.
Voorbeeld: een Franse Union grade A blijft Union grade A op het NAK certificaat. Dat geldt ook voor kleinverpakking.
11.2 Certificering in een lagere klasse
- Op verzoek van de houder kan een partij pootgoed in een lagere klasse worden gecertificeerd.
- Een partij die in een lagere klasse is gecertificeerd, mag daarna niet weer in de oorspronkelijke klasse worden gebracht, tenzij de identiteit van de partij nog voldoende vastligt en de producent hiervoor toestemming geeft.
11.3 Certificering als Basic seed en Certified seed
- De aanduidingen Prebasic seed, Basic Seed, Certified Seed worden in de balktekst geplaatst. Daarnaast wordt ook de onderliggende klasse vermeld.
- De klasse B mag niet als Certified Seed gecertificeerd worden.
11.4 Certificering als Union Grade
Pootgoed van alle klassen kan worden gecertificeerd als Union Grade (balktekst). Deze aanduiding is verplicht voor de volgende zogenaamde High Grade Regions (HGR’s) in Europa, deze landen (gebieden) eisen minimaal Union grade E.
- Ierland
- Noord-Ierland
- Een aantal gemeenten van Mecklenburg-Vorpommern (Duitsland)
- Gemeenten Leminka, Temmes en Tyznävä (Finland)
- De Azoren (gebieden hoger dan 300 meter) (Portugal)
Ook voor ‘Union grade’ geldt: certificering in een lagere klasse is mogelijk. Voor hercertificering van buitenlandse ‘Union grades’, zie Hercertificering.
11.5 Certificering stammen (PB1 t/m 4, prebasis pootgoed)
- Goedgekeurde stammen worden gecertificeerd in de klassen PB1 t/m PB4.
- Stammenoverdracht is alleen mogelijk voor uitgangsstammen uit kwekersmateriaal.
11.6 Certificering vitromateriaal
Microplantjes, microknollen, miniknollen en vitroplantjes (zie aanwijzing PA-01) worden gecertificeerd als prebasis pootgoed, klasse PBTC, met de aanduiding van het betreffende product, bijvoorbeeld ‘miniknollen’. Partijkeuring is hierbij niet van toepassing.
11.7 Certificering van niet op de rassenlijst geplaatste rassen
Voor rassen die niet op de rassenlijst zijn geplaatste (rasstatus BPR) is certificering volgens onderstaand schema mogelijk.
| Status ras | Keuring | Certificering |
|---|---|---|
| BPR: rassen met EU-autorisatie | Klassen PB t/m B. | EU-model (910, oranje, = beproevingsmateriaal) Op verzoek model 510, = kwekersmateriaal. |
| BPR: overige rassen | Klassen PB t/m B. | Kwekersmateriaal (510) |
| HNDL (op rassenlijst) | Klassen PB t/m B. | Reguliere certificering |
Toelichting ‘status BPR’, dit zijn rassen die of:
- in onderzoek zijn voor opname op de rassenlijst; voor deze rassen kan autorisatie aangevraagd worden
- nog niet in onderzoek zijn
- zijn geregistreerd maar niet op de rassenlijst zijn opgenomen.
Voor certificering van met het oranje label (model 910, geautoriseerde rassen) geldt:
- Beproevingsmateriaal’ in de balktekst; geen verdere vermeerdering mogelijk.
- De hoeveelheden zijn gemaximeerd volgens EU-voorschriften.
- De betreffende rassen worden genotificeerd aan de EU en lidstaten.
Voor certificering als ‘Kwekersmateriaal’ (model 510, geel label) geldt:
- ‘Kwekersmateriaal’ in de balktekst.
- Het gele label heeft alleen ‘status’ binnen NL (label niet volgens ‘EG-systeem’).
- Het gele label heeft de status ‘plantenpaspoort’.
- Het gele label is een officieel certificaat voor derde landen (maar zonder ‘EG-systeem’).
- De hoeveelheden zijn niet gemaximeerd.
11.7.1 Rassen nog niet in onderzoek (‘kwekersmateriaal’)
Materiaal van deze rassen, te velde goedgekeurd volgens de systematiek van ‘bedrijfsinspectie’ (kwekersmateriaal, percelen < 30 are), kan zonder partijkeuring worden voorzien van een geel label (model 510).
11.7.2 Geregistreerde rassen, niet op de rassenlijst
Deze rassen kunnen alleen als ‘kwekersmateriaal’ (geel label) worden gecertificeerd.
11.8 Proefzendingen
Samengestelde proefzendingen van kleine hoeveelheden van:
- kwekersmateriaal bedrijfsinspectie
- kwekersmateriaal percelen (BPR)
- handelsrassen
kunnen worden voorzien van een geel label “Diverse zaailingen”.
Van handelsrassen en BPR rassen kan maximaal 3000 kg per jaar per ras per kweker worden gehercertificeerd en/of gecertificeerd vanaf transportdocument (goedgekeurde partijen) en 3000 kg per jaar per ras per kweker van onder het bedrijfsinspectie systeem zijn vermeerderd (maximaal 2x vermeerdering vanuit gecertificeerde miniknollen – PBTC) en goedgekeurd.
De producent moet een registratie bijhouden van de gebruikte certificaatnummers gekoppeld aan de afgeleverde hoeveelheden en afleveradressen.
Registratie van de gebruikte partijen en proefzendingen moeten door de kweker zodanig geborgd zijn, dat tracering altijd mogelijk is.
12. Aflevering van partijen
Een partij mag alleen worden afgeleverd nadat de controle geheel is afgewerkt. Aflevering van een gedeelte van de partij voordat de gehele partij is afgewerkt, is pas toegestaan nadat de keurmeester het af te leveren gedeelte van de partij heeft goedgekeurd en vrijgegeven.
13. Vervoer van nog niet definitief gecertificeerd pootgoed
Vervoer van nog niet definitief gecertificeerd pootgoed (al dan niet bewerkt) is mogelijk tussen producenten, mits dit pootgoed na bewerking (1) naar het bedrijf van de leverancier wordt terug vervoerd dan wel (2) door de bewerker voor certificering wordt aangeboden. De ontvanger mag hierbij geen eindgebruiker zijn. De verplaatsingen worden door de keurmeester vastgelegd. Leverancier en ontvanger krijgen naderhand een opgave van de verplaatsingen. De ladingen moeten zijn voorzien van een identiteitslabel. In bijzondere situaties kan gebruik gemaakt worden van een (fysiek) transportdocument.
14. Inschakeling weegbrughouders/wegers
Bij de gewichtsbepaling van op transportdocument af te leveren partijen is inschakeling van zowel onbemande als bemande weegbruggen toegestaan, mits hierbij aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
- De weging moet worden uitgevoerd met geijkte apparatuur.
- De ingeschakelde weegbrughouder/weger, ook de houder van een onbemande weegbrug, moet een schriftelijke verklaring afleggen. De betrokkene verklaart de gevraagde werkzaamheden op juiste wijze te zullen uitvoeren.
- De keurmeester voert steekproefsgewijs een controle uit op de uitvoering van de weging.
- De weging moet worden geregistreerd.
15. Diversen
15.1 Aflevering door detaillisten aan gebruikers
Een leverancier mag van een definitief goedgekeurde partij één verpakkingseenheid openen en daaruit kleine hoeveelheden afleveren aan gebruikers. Het bij de verpakkingseenheid behorende bewijs van goedkeuring moet aan deze eenheid bevestigd of daarin zichtbaar aanwezig zijn.
Dr. N. Rietbroek
secretaris vaste commissies
pootaardappelen en zaaizaden
Bijlagen: 2
Bijlage 1: Overzicht modellen certificaten
Overzicht modellen certificaten
| Modelnr. | Kleur | Categorie/generatie | Opmerkingen |
|---|---|---|---|
| 1 | Wit met paarse diagonale band | Prebasispootgoed | Klasse PB1 t/m PB4 (stammen) PBTC: vitromateriaal (alleen toegelaten rassen) |
| 2 | Wit | Basispootgoed | Klassen S, SE en E |
| 3 | Blauw | Gecertificeerd pootgoed | Klassen A en B |
| 5 | Geel | Kwekersmateriaal | Per definitie geen “EG-systeem”. Bestemd voor: – rassen nog niet in onderzoek – verdere vermeerdering van rassen in onderzoek en geregistreerde rassen zonder rassenlijstpositie – miniknollen (PBTC) van rassen zonder rassenlijstpositie |
| 9 | Oranje | Beproevingsmateriaal van rassen in onderzoek | Alleen rassen en bestemmingen waarvoor autorisatie is aangevraagd. Er geldt een maximum hoeveelheid per ras. |
Toelichting:
De modellen 1, 2 en 3 zijn bestemd voor rassen die op de Nederlandse of Europese rassenlijst staan. Het ‘gele’ label heeft geen officiële status binnen de EU, maar het heeft wel de status ‘plantenpaspoort’. Voor afzet naar ‘derde landen’ (buiten de EU) is het label een officieel certificaat, zonder aanduiding “EG-systeem”.
Bijlage 2: Richtlijnen kleinverpakking
Richtlijnen certificering in kleine verpakkingen
De minimale afmeting van een label is 60×30 mm en het mag geprint worden op een capper of op de verpakkingsfolie. Het te gebruiken label kan afkomstig zijn van de NAK, maar mag ook in eigen beheer worden geproduceerd. Bij zelf printen moet een nummerserie worden aangevraagd bij de NAK. Op verzoek kunnen labels ook in het Engels of Frans worden geprint.
De onderstaande informatie moet op het label, voorzien van een NAK-logo, staan:
- Categorie basis- of gecertificeerd pootgoed of Union grade
- Basispootgoed: S, SE of E op een wit label
- Gecertificeerd pootgoed: A of B op een blauw label
- Rasaanduiding
- Teler- of verpakkernummer
- Teeltland
- Aantal knollen of gewicht
- EG-Plantenpaspoort en Kleinverpakking EG
- Uniek labelnummer

Onderstaande informatie is ook toegestaan op het label. De NAK zet deze informatie standaard op haar labels, behalve het Crop No., dit moet apart worden aangevraagd. Alle overige informatie kan op verzoek worden weggelaten:
- Sorteermaat in mm
- Solanum tuberosum
- Klasse
- Datum van certificering
- PZ-code, zie vermelding PZ-codes.
- Crop No., dit is een eis voor de Engelse markt.
Buitenlands pootgoed
Ook buitenlands pootgoed kan worden verpakt en gecertificeerd volgens de NAK-regeling voor kleinverpakking. Hiervoor gelden de NAK-normen voor de partijkeuring. Standaard wordt de buitenlandse klasse overgenomen. Certificering in lagere klasse is ook mogelijk.
Niet toegelaten rassen
Rassen die nog niet zijn opgenomen op de Europese rassenlijst komen niet in aanmerking voor certificering met kleinverpakkingslabels of folie.
Controle door de NAK
De NAK-keurmeester controleert de kwaliteit van de partij volgens de NAK-normen en voert een administratieve controle uit. Hiervoor is het noodzakelijk dat de identiteiten en hoeveelheden van de bronpartijen en van de afgeleverde partijen inzichtelijk zijn.
Export kleinverpakking
Er bestaan geen Europese regels voor de afzet van pootaardappelen met een kleinverpakkingslabel. Wij adviseren daarom vooraf naar de eisen van het land van bestemming te kijken. De NAK aanvaardt geen enkele aansprakelijkheid voor eventuele problemen die hieruit voortvloeien.