1. Aangifte
1.1 Aangifteformulieren
De aangifte voor de keuring moet geschieden op een daartoe beschikbaar gesteld formulier, waarop de gevraagde gegevens volledig en naar waarheid moeten worden ingevuld en dat door de aanvrager moet zijn ondertekend.
Indien een aanvrager keuring van teeltmateriaal in een lagere categorie/generatie wenst, dan waarop hij op grond van het gebruikte uitgangsmateriaal recht zou hebben, moet hij dit op het formulier vermelden.
1.2 Aangiftedata
De aangifte voor de keuring moet uiterlijk op de onderstaande data zijn ingediend:
| Gewas | Datum |
|---|---|
| Winterkoolzaad, winterveldboon en hybride wintergerst | 15 februari |
| Karwij en wintervlas | 15 april |
| Japanse haver, hennep, maïs, Sorghum en boekweit | 1 juni |
| Landbouwstambonen en soja | 7 juni |
| Overige gewassen | 1 mei |
De vaste commissie kan een eerdere of een latere aangiftedatum vaststellen.
1.3 Generatieaanduiding
De generatieaanduiding en de maximaal te behalen generatie zijn hieronder weergegeven.
| Categorie | Gewassen |
|---|---|
| PB 1) | Alle |
| BZ 2) | Alle |
| C1 | Alle |
| C2 | tarwe, spelt, gerst, haver, Japanse haver, triticale, erwten, veldbonen, soja en vlas |
| C3 | vlas |
1) De nateelt van prebasiszaad dat direct afkomstig is van kwekerszaad, kan op verzoek van de kweker nog een keer als prebasiszaad worden gekeurd.
2) Bij vlas wordt basiszaad onderverdeeld in SE en E.
Bij uitgangsmateriaal uit één van de EU-lidstaten moet voor de generatie die maximaal kan worden toegekend, het schema van bijlage A worden aangehouden.
Alle categorieën EU-gecertificeerd materiaal en OESO-partijen basiszaad en gecertificeerd zaad worden zonder bijzondere voorwaarden voor de keuring aangenomen; wel moet van elke partij een monster in de nacontrole worden opgenomen, tenzij kan worden aangetoond, dat in het land van herkomst een nacontrole is uitgevoerd.
1.4 Scheiding en isolatie
Bij prebasis- en basiszaad van zelfbestuivende granen, erwten, soja en vlas moet de scheiding tussen 2 rassen van hetzelfde cultuurgewas tenminste 1 meter bedragen. Deze scheiding van 1 meter geldt ook ten opzichte van andere graangewassen en erwten.
Bij gecertificeerd zaad is de voorgeschreven scheiding 50 cm.
Bij veldbonen moet de scheiding minimaal bestaan uit 3 meter onbeplant van het voorste en het achterste gedeelte van de beide grensrijen, indien geen scheiding van minimaal 50 cm is aangebracht.
Bij de teelt van hybride rogge hoeft geen scheiding te worden aangebracht tussen de randstrook met hersteller en de moederplanten. Voorwaarde is dat bij de oogst minstens een halve meter moederplanten met de hersteller wordt mee geoogst.
Bij hybriden van koolzaad minimaal een scheiding van 50 cm aanhouden tussen de moederlijn en vaderlijn (hersteller). Voor isolatieafstanden hybride granen: zie hoofdstuk 4.
Voor kruisbestuivende gewassen gelden de volgende isolatieafstanden ten opzichte van andere rassen van hetzelfde gewas en andere gewassen die gevaar voor kruisbestuiving opleveren:
*In gebieden waar de aanwezigheid van S. halepense of S. sudanense een specifiek probleem voor kruisbestuiving vormt, geldt: a) gewassen voor de productie van basiszaad van Sorghum bicolor of hybriden daarvan moeten worden geïsoleerd op een afstand van minimaal 800 m van enige bron van pollen; b) gewassen voor de productie van gecertificeerd zaad van Sorghum bicolor of hybriden daarvan moeten worden geïsoleerd op een afstand van minimaal 400 m van enige bron van pollen.
**Norm belending percelen koolzaad voor planten die gevaar voor kruisbestuiving vormen, is gemiddeld niet meer dan 1 plant per 10 m2. Belending met soorten stoppelknol/raapzaad dan isolatieafstanden: 100 m PB en BZ en 20 m CZ.
Percelen winterrogge die op minder dan 300 m, respectievelijk 250 m van zomerrogge liggen of omgekeerd, komen voor goedkeuring in aanmerking als ze niet gelijktijdig bloeien en de afstand tussen de percelen tenminste 80 m is.
De minimumafstanden behoeven niet in acht te worden genomen, indien er naar het oordeel van de NAK voldoende bescherming tegen kruisbestuiving aanwezig is.
1.5 Perceelsbordjes
De teler moet vóór het begin van de keuring bij het perceel een bordje plaatsen met daarop de perceelaanduiding. Het bordje moet zo worden geplaatst dat het ook in een volledig uitgegroeid gewas goed zichtbaar is.
1.6 Rassen in onderzoek
Een ras in onderzoek kan voor de keuring worden aangenomen indien:
- Het officieel in onderzoek is in Nederland of in een andere EU-lidstaat
- De kweker/vertegenwoordiger het ras bij de NAK heeft aangemeld voor de productie van beproevingsmateriaal en/of vermeerderingsmateriaal
- De kweker/vertegenwoordiger een voorlopige rasbeschrijving en een deel van het registratiemonster aan de NAK verstrekt
- In geval van beproevingsmateriaal (oranje label) moet de kweker/vertegenwoordiger voor elk ras in onderzoek een NAK-autorisatie voor keuring en certificering hebben.
1.7 Keuring gecertificeerd zaad 2e vermeerdering en importpartijen
Percelen tarwe, gerst, haver, Japanse haver, triticale, erwten, soja en veldbonen, die zijn ingezaaid met gecertificeerd zaad 1e vermeerdering, kunnen voor keuring als 2e vermeerdering worden aangenomen als van het uitgangsmateriaal een monster in de nacontrole ligt. Dit geldt ook voor importpartijen die voor verdere vermeerdering worden gebruikt. De houder van de partij moet de NAK tijdig verzoeken een monster te nemen. Ligt er geen monster in de nacontrole, dan kan de NAK het perceel onder de volgende voorwaarden voor de keuring aannemen:
- De NAK voert één veldkeuring uit
- Bij buitenlandse partijen vraagt de NAK de resultaten van de nacontrole op in het land van herkomst
- Bij Nederlandse partijen wordt de rasechtheid beoordeeld door 10 aren/pluimen uit het perceel te vergelijken met aren/pluimen van het controleveld.
1.8 Meerjarige gewassen (percelen)
De teelt van een meerjarig gewas (perceel), zoals bijvoorbeeld karwij, kan voor keuring worden aangegeven. Bij de aangifte moet worden vermeld dat het een meerjarig gewas betreft en welke behandelingen of bewerkingen zijn uitgevoerd.
2. Voor- en nacontrole
2.1 Voorcontrole
De voorcontrole wordt uitgevoerd aan partijen stamzaad of kwekerszaad van rassen die:
- Op de Rassenlijst van Nederland, de EU of een andere lidstaat zijn geplaatst
- In Nederland of een ander land in onderzoek zijn voor inschrijving in het Rassenregister en/of plaatsing op de Rassenlijst
- Om andere redenen tot de keuring zijn toegelaten.
De resultaten van de voorcontrole zijn maatgevend voor de maximaal toe te kennen generatie bij de veldkeuring. De monsters worden uitgezaaid op het centraal controleveld van de NAK en beoordeeld op rasechtheid en raszuiverheid. Aanleg, beoordeling en normstelling zijn als volgt geregeld.
2.1.1 Granen, peulvruchten en fijne zaden
Van elk nieuw ingezonden monster wordt een voorcontroleveldje aangelegd van:
- 20 m2 bij granen, bonen en fijne zaden (m.u.v. vlas)
- 40 m2 bij erwten, kapucijners en schokkers.
Voor de controle op de rasechtheid wordt daarnaast een veldje van 10 m2 ingezaaid met het vorig jaar ingezonden monster. Bij rassen in onderzoek wordt in het eerste jaar van voorcontrole alleen een voorcontrolemonster uitgezaaid.
De kwekers stellen een monster van 1,5 kg beschikbaar van elk ras waarvan in Nederland zaaizaad wordt vermeerderd tot prebasiszaad. Indien per ras meerdere partijen voor vermeerde-ring tot prebasiszaad worden bestemd, wordt van elke herkomst een monster genomen.
Partijen kwekerszaad waaruit meerdere jaren prebasiszaad wordt geteeld, hoeven slechts één keer in de voorcontrole te liggen. Dergelijke partijen moeten worden geïdentificeerd met kwekerszaadlabels waarop het voorcontrolenummer is aangegeven.
De monsters worden genomen van de laatste generatie voorafgaand aan prebasiszaad. Deze generatie is in het volgende schema omlijnd.
Schema voor generatieaanduiding bij granen en peulvruchten:
1) 1 of meer generaties aan te duiden door de kweker
2) de nateelt van prebasiszaad dat direct afkomstig is van kwekerszaad kan op verzoek van de kweker nog een keer als prebasiszaad worden gekeurd.
Monsters die in de voorcontrole zijn opgenomen moeten dezelfde partijaanduiding hebben als die waaronder de productie tot prebasiszaad plaatsvindt.
Eisen voorcontrole granen en peulvruchten
De veldjes worden beoordeeld op de hoofdkenmerken lengte, kleur en vorm. Dit gebeurt op dezelfde manier als bij de veldkeuring. Bij de erwten wordt bovendien het al of niet gevlekt zijn van de steunblaadjes beoordeeld.
Voor de voorcontrole gelden per 20 m2 de volgende normen voor selecteerbaarheid:
| Categorie | Granen (m.u.v. triticale) en peulvruchten | Triticale |
|---|---|---|
| PB | 4 | 8 |
| BZ | 8 | 16 |
Indien per 20 m2 meer dan 8 respectievelijk 16 afwijkers voorkomen dan wordt de betreffende herkomst maximaal als CZ goedgekeurd, mits het materiaal bij de veldkeuring aan de eisen voldoet.
Bij de voorcontrole wordt ook gelet op de volgende kleine kenmerken:
- gerst:
- het kort of lang behaard zijn van de rachilla
- ontwikkeling/houding steriele pakjes
- haver:
- het al dan niet bewimperd zijn van de bladranden
- het al dan niet behaard zijn van de bovenste halmknoop en directe omgeving
- het al dan niet bewast zijn van het kroonkafje van het toppakje
- erwten:
- de vorm van de geheel gevulde peulen, als de zaden volgroeid zijn
- veldbonen:
- de kleur van het hilum.
De normen voor de kleine kenmerken zijn als volgt:
| Categorie | Max. aantal afwijkers | Opmerkingen |
|---|---|---|
| PB en BZ | 1 per 200 | Bij 2 afwijkers worden nog eens 200 planten onderzocht. In dat geval is de norm 3 per 400 |
| C1 | 3 per 200 | |
| C2 | 4 per 200 |
Bij tarwe (spelt uitgezonderd) en haver (Avena sativa) wordt ook rekening gehouden met de korrelkleur. Per 500 gram mogen maximaal de volgende aantallen afwijkende zaden voorkomen:
| Categorie | Tarwe | Haver |
|---|---|---|
| Prebasiszaad | 5 | 8 |
| Basiszaad | 8 | 12 |
| Gecertificeerd zaad 1e vermeerdering | 25 | 40 |
| Gecertificeerd zaad 2e vermeerdering | 50 | 75 |
Bij tarwe worden 100 planten oriënterend bekeken op de vulling van het bovenste halmlid.
2.1.2 Vlas
Bij vlas wordt de voorcontrole uitgevoerd op de generatie voorafgaand aan prebasiszaad. Het nieuw ingezonden monster wordt uitgezaaid op een veldje van 10 m2. Voor de controle op de ras-echtheid wordt daarnaast een veldje van 5 m2 ingezaaid met het monster dat het vorige jaar van dat ras is ingezonden.
De raszuiverheid van de veldjes wordt beoordeeld aan de hand van de volgende kenmerken:
- Bloemkleur (blauw, wit, roze, rood en violet)
- Bloemgrootte
- Bloemvorm
- Kleurschakering
- Kleur helmknoppen
- Lengte plant
- Beharing van de valse tussenschotten (uitslag heeft geen gevolgen; oriënterend)
Per onderdeel gelden de volgende normen:
a. Bloemkleur
Indien per 5 m2 niet meer dan 20 planten worden gevonden die op bloemkleur afwijken, wordt het materiaal selecteerbaar geacht voor prebasis- of basiszaad.
b. Lengte plant, bloemvorm, bloemgrootte, kleurschakering (licht/donker blauw, rood, roze, violet) en kleur helmknoppen
Indien niet meer dan 150 afwijkers voorkomen per veldje kan het materiaal nog als prebasis- of basiszaad worden gekeurd.
c. Beharing van de valse tussenschotten
500 planten worden oriënterend beoordeeld op beharing van de valse tussenschotten.
2.2 Nacontrole
Van alle in Nederland geproduceerde en gecertificeerde partijen prebasis- en basiszaad legt de NAK een nacontrole aan. Dit geldt ook voor gecertificeerd zaad 1e vermeerdering, dat wordt gebruikt voor de teelt van gecertificeerd zaad 2e vermeerdering. De resultaten worden gebruikt ter ondersteuning van de veldkeuring. In Nederland geproduceerde partijen gecertificeerd zaad, die niet verder worden vermeerderd, worden steekproefsgewijs (10%) nagecontroleerd; in dit geval is de nacontrole bedoeld als systeemcontrole op de veldkeuring en de certificering. De nacontroleveldjes worden uitgezaaid, indien mogelijk en beschikbaar, naast het standaardmonster van het ras en beoordeeld op rasechtheid en raszuiverheid. De veldjesgrootte is voor alle gewassen 10 m2 met uitzondering van het vlas waar de veldjes 5~m2 zijn.
Voor de beoordeling op de rasechtheid wordt het veldje visueel vergeleken met het standaardmonster van het ras. Dit gebeurt aan de hand van de kenmerken vroegheid, lengte, kleur en vorm van het totale veldje. Is een monster prebasis- of basiszaad niet rasecht dan worden de corresponderende vermeerderingen afgekeurd. Is een monster onvoldoende stabiel (duidelijk vroeger of later dan het standaardmonster) dan wordt, na overleg met de kweker van het ras, de nateelt afgekeurd of maximaal goedgekeurd als gecertificeerd zaad. Bij de beoordeling op de raszuiverheid wordt gekeken naar planten die duidelijk afwijken van het gemiddelde van het ras. De raszuiverheid wordt bepaald aan de hand van de kenmerken lengte, kleur, vorm en vroegheid. Daarnaast worden bij onderstaande gewassen de volgende zogenaamde kleine kenmerken beoordeeld:
| Gewas | Kenmerk |
|---|---|
| haver |
|
| vlas |
|
3. Veldkeuring
3.1 Algemeen
Bij de veldkeuring worden de volgende onderdelen beoordeeld:
- Rasechtheid
- Raszuiverheid
- Plantenziekten die met het zaaizaad kunnen overgaan
- Onkruiden en vermengingen die moeilijk uitschoonbaar zijn
- Isolatieafstanden bij kruisbestuivende gewassen/scheiding.
Bij de keuringen wordt tevens rekening gehouden met de resultaten van het corresponderende controleveldje c.q. de voorcontrole op het centraal controleveld van de NAK.
Voor de onderdelen raszuiverheid, plantenziekten en vermengingen moeten op het veld-keuringsrapport respectievelijk de aantallen rasafwijkers, zieke planten en planten van andere gewassen worden aangegeven. De aantallen moeten worden vastgesteld op basis van minimaal drie tellingen die op diverse plaatsen in het perceel worden uitgevoerd; per telling wordt 100 m2 beoordeeld. Het totaal aantal rasafwijkers wordt op het veldkeuringsrapport vermeld.
3.2 Aantal keuringen
De voor keuring aangegeven percelen moeten tenminste het hieronder aangegeven aantal malen zijn beoordeeld:
3.3 Splitsing percelen
Splitsing van percelen wordt toegestaan tenzij het plantenziekten of wilde haver betreft. Splitsing kan direct in overleg met de keurmeester worden geregeld onder voorwaarde dat:
- Het perceel een aaneengesloten geheel blijft
- De teler binnen 3 dagen een duidelijke markering aanbrengt.
Elk gedeelte wordt hierna afzonderlijk gekeurd.
3.4 Voorziening prebasis- en basiszaad
Door afkeuring, degradatie of anderszins van een perceel/partij in Nederland kan het areaal prebasis- en basiszaad zodanig teruglopen dat de zaaizaadvoorziening van een ras in gevaar komt. Om dit op te vangen kan de kweker of zijn vertegenwoordiger een schriftelijk verzoek tot promotie indienen om de verloren gegane percelen/partijen te vervangen.
De NAK verifieert of het verzoek aan de voorwaarden voor promotie voldoet, te weten:
- De voor promotie voorgedragen percelen/partijen moeten voldoen aan de eisen van de generatie die na de promotie zal worden toegekend
- Het voorgedragen areaal c.q. de hoeveelheid moet in principe overeenkomen met het verloren gegane areaal c.q. de verloren gegane hoeveelheid
- Het uitgangsmateriaal van de betreffende percelen/partijen mag niet al eerder zijn gepromoveerd
- Er kan maximaal één generatie worden opgewaardeerd.
Bij vlas is het mogelijk gecertificeerd zaad 2e vermeerdering te promoveren naar 1e vermeerdering. Voorwaarde is dat het gaat om vervanging van verloren gegane percelen/partijen basiszaad die niet door gecertificeerd zaad 1e vermeerdering kunnen worden vervangen.
3.5 Tijdstip keuringen
De keuringen moeten zodanig worden uitgevoerd dat alle keuringsonderdelen goed zijn te beoordelen. Bij de granen wordt de keuring uitgevoerd op een tijdstip dat het gewas volledig is uitgegroeid (met uitzondering van Japanse haver), de raszuiverheid goed is te beoordelen en een goede indruk kan worden verkregen over het al dan niet voorkomen van wilde haver. Bij Japanse haver wordt de eerste keuring uitgevoerd net voordat het gewas volledig is uitgegroeid (einde vegetatieve stadium) en de tweede keuring vanaf begin bloei (volledig uitgegroeid). Bij de andere gewassen vindt de keuring plaats tijdens de bloei. Voor de beoordeling op plantenziekten vindt bij stambonen de tweede keuring plaats tijdens de afrijping van het gewas. Bij hybride rassen van koolzaad vindt de eerste keuring aan het begin van de bloei plaats en de tweede keuring tijdens de volle bloei.
3.6 Beoordeling rasechtheid
De rasechtheid wordt beoordeeld aan de hand van de officiële rasbeschrijving. Om na te gaan of het ras met de rasbeschrijving overeenkomt, moeten per perceel tenminste 10 planten worden gecontroleerd aan de hand van de raskenmerken die bij de voorcontrole worden gebruikt. In twijfelgevallen moet een nadere oriëntering plaatsvinden omtrent de typische raskenmerken, zo mogelijk op rassenproefvelden aan de hand van beschikbare gegevens. Ter oriëntering zijn in de bijlagen B t/m K de belangrijkste raskenmerken van de zelfbestuivende granen, erwten, veldbonen, vlas en koolzaad opgenomen.
Bij karwij wordt vlak voor de oogst een aanvullende beoordeling op rasechtheid uitgevoerd. Daarbij wordt nagegaan of het ras ten aanzien van de vastzadigheid met de rasbeschrijving overeenkomt. Van de huidige rassenlijstrassen is alleen het ras Bleija vastzadig.
3.7 Keuring op raszuiverheid
3.7.1 Keuring zelfbestuivende gewassen en bonen
Tarwe, gerst, haver, Japanse haver, triticale, spelt, erwten, veldbonen, stambonen, vlas en blauwmaanzaad worden als zelfbestuivers gekeurd.
Bij de beoordeling op raszuiverheid wordt gelet op planten die duidelijk van het ras afwijken op de hoofdkenmerken lengte, kleur en vorm. Planten die iets afwijken van het ras (iets meer of minder bewast, iets ruimer of dichter geschakeld enz.) worden niet als afwijkers beschouwd, tenzij ze ook op een ander kenmerk/andere kenmerken afwijken. Alle planten die 2 aarlengten (pluimlengten) of meer boven de gemiddelde lengte van het gewas uitsteken, worden als rasafwijkers gerekend. Als te kort worden gerekend de planten die aanmerkelijk korter zijn dan de gemiddelde lengte; daarbij worden de zijstengels van de planten buiten beschouwing gelaten.
De raszuiverheid wordt aan de hand van de volgende kenmerken beoordeeld:
Tarwe:
- Lengte plant
- Bewassing aar en bovenste halmlid
- Aarvorm (inclusief speltoïden en compactoïden)
- Schakeling aar
- Gebaardheid (gebaard/ongebaard)
- Kleur (roodkaf/witkaf).
Speltoïden zijn planten die langer zijn (maar niet altijd 2 aarlengten), ruimer geschakeld, vaak iets meer bewast en duidelijk piramidaal van vorm. Compactoïden zijn duidelijk kortere planten waarvan de aren zeer dicht geschakeld zijn.
Gerst:
- Lengte plant
- Bewassing aar en bovenste halmlid
- Aarvorm
- Schakeling aar
- Aantal aarrijen
- Anthocyaankleuring kafnaalden, oortjes en pakjes.
Verdachte planten worden aanvullend beoordeeld op:
- Rachillabeharing
- Steriele pakjes (volledig ontwikkeld/rudimentair).
Haver en Japanse haver:
- Lengte plant
- Bewassing pluim en bovenste halmlid
- Schakeling pluim
- Richting zijassen pluim (eenzijdig of alzijdig)
- Houding van de zijassen pluim.
Verdachte planten worden aanvullend beoordeeld op:
- Bewassing toppakje
- Beharing bovenste knoop
- Bewimpering van de bladrand.
Triticale
- Lengte plant
- Bewassing aar en bovenste halmlid
- Aarvorm
- Schakeling aar
- Anthocyaankleur aar.
Verdachte planten worden aanvullend op beharing van de nek en kelkkafjes beoordeeld.
Erwten (Kapucijners)
- Lengte plant
- Kleur plant (met of zonder anthocyaan)
- Blaadjes: aanwezig/afwezig (semi-bladloos)
- Kleur blaadjes en steunblaadjes
- Bewassing blaadjes en steunblaadjes
- Vorm blaadjes (afgerond, spits, smalbladig)
- Bloemkleur.
Verdachte planten worden aanvullend beoordeeld op:
- Bloemgrootte
- Bladvlekken steunblaadjes
- Peulvorm.
Veldbonen
- Lengte plant
- Stengelkleur (met of zonder anthocyaan)
- Bladkleur
- Bewassing blad
- Bloemkleur.
Verdachte planten worden aanvullend op peulvorm beoordeeld.
Landbouwstamboon
- Lengte plant
- Planttype (rankend/niet rankend)
- Bladkleur
- Bladvorm
- Bloemkleur.
Verdachte planten worden aanvullend beoordeeld op:
- Geribdheid blad
- Peulvorm
Soja
Tijdens/rondom bloei:
- Plantvorm (habitus)
- Kleur van de beharing op de hoofdstengel
- Vorm van het blad aan zijstengels
- Intensiteit kleur blad
- Bloemkleur
- Bloeitijdstip (begin bloei: 1 bloem open bij 50% van de planten)
Verdachte planten in geval van twijfel beoordelen op kleine kenmerken tijdens/rondom bloei:
- Bloei: grootte blad zijstengels
- Vrucht(peul)zetting: intensiteit bruine kleur van peul
Vlak voor de oogst:
- Lengte plant
- Tijdstip rijping
Blauwmaanzaad
- Lengte plant
- Anthocyaankleur stengel
- Bewassing blad en stengel
- Bloemkleur
- Bewassing bol
- Vorm bol.
Verdachte planten worden aanvullend beoordeeld op:
- Beharing stengel
- Betanding blad
- Vorm en kleur bloemvlek.
Vlas
Bij de keuring op raszuiverheid wordt gelet op de volgende kenmerken:
- Kleur van de kroonbladen (bloemkleur)
- Lengte van de plant
- Bloemvorm
- Bloemgrootte
- Kleurschakering van de kroonbladeren
- Beharing van de valse tussenschotten in de zaadbol (alleen bij twijfel).
Voor de bloemkleur gelden voor de wit-, blauw-, roze-, rood- en violetbloeiende rassen de volgende normen:
| Te keuren als | Max. aantal planten met afwijkende kleur kroonbladen per are |
|---|---|
| Prebasiszaad | 5 |
| Basiszaad SE | 5 |
| Basiszaad E | 10 |
| Gecert. zaad 1e vermeerdering | 20 |
| Gecert. zaad 2e vermeerdering | 50 |
| Gecert. zaad 3e vermeerdering | 100 |
Percelen prebasiszaad, basiszaad SE en E, gecertificeerd zaad 1e en 2e vermeerdering, die niet aan de gestelde eisen voldoen, kunnen met een lagere generatieaanduiding worden goedgekeurd indien ze aan de daarvoor gestelde eisen voldoen. Percelen gecertificeerd zaad 3e vermeerdering die niet voldoen aan de gestelde eisen, worden afgekeurd. Voor de keuring op de lengte, bloemvorm, bloemgrootte en kleurschakering bloem, gelden de volgende normen:
| Monstergrootte aantal planten | PB | SE | E | CZ 1e | CZ 2e | CZ 3e |
|---|---|---|---|---|---|---|
| 500 | 2 | 2 | 4 | 10 | 16 | 16 |
| 250 | – | – | 2 | 5 | 8 | 8 |
| 200 | – | – | – | 4 | 6 | 6 |
| 100 | – | – | – | – | 3 | 3 |
3.7.2 Normen raszuiverheid zelfbestuivende granen en peulvruchten
De normen voor raszuiverheid van zelfbestuivende granen en peulvruchten zijn als volgt:
| Categorie | Maximaal aantal duidelijk ras-afwijkende planten per are | ||
|---|---|---|---|
| tarwe, spelt, gerst, haver en Japanse haver | triticale | erwten bonen blauwmaanzaad | |
| Prebasiszaad | 2 | 4 | 2 |
| Basiszaad | 7 | 10 | 5 |
| Gecert. zaad 1e verm. | 25 | 30 | 15 |
| Gecert. zaad 2e verm. | 40 | 60 | 30 |
3.7.3 Keuring kruisbestuivende gewassen
Rogge, kanariezaad, karwij en Sorghum worden als kruisbestuivende gewassen gekeurd. Bij de beoordeling op raszuiverheid worden dezelfde algemene richtlijnen aangehouden als voor de zelfbestuivende granen; echter de visuele waarneming van de afwijking op het kenmerk lengte mag tweemaal zo groot zijn. De normering voor het aantal gevonden afwijkingen staat hieronder aangegeven.
Eerste keuring begin bloei; tweede keuring tijdens afrijping.
De normen voor raszuiverheid zijn als volgt:
| Categorie | Maximaal aantal afwijkende planten per are |
|---|---|
| Prebasis- en basiszaad | 3 |
| Gecertificeerd zaad | 10 |
Afwijkende planten moeten vóór de bloei worden verwijderd.
De raszuiverheid wordt voor of tijdens de bloei (uitgezonderd Sorghum) beoordeeld aan de hand van de volgende kenmerken:
Rogge
- Lengte plant
- Lengte aar (zonder naalden)
- Bewassing plant en aar
- Nekbeharing
Verdachte planten worden aanvullend op schakeling aar en aarhouding beoordeeld.
Kanariezaad
- Lengte plant
- Bladkleur
- Bewassing plant en aar
- Aarvorm/grootte.
Karwij
- Lengte plant
- Bladgrootte
- Bladkleur
- Anthocyaankleur blad en stengel
- Grootte bloemscherm
- Bloemkleur.
Sorghum
- Vroegheid
- Lengte plant
- Anthocyaan op blad en stengel
- Bladkleur
- Pluim (dichtheid einde bloei/afrijping)
- Pluim vorm (positie breedste gedeelte)
- Pluim kleur (kafjes)
3.8 Keuring op plantenziekten
3.8.1 Granen
a. Normen
Bij de granen zijn voor steenbrand, stuifbrand en strepenziekte de volgende normen vastgesteld:
| Ziekte | PB en BZ | CZ |
|---|---|---|
| Steenbrand bij tarwe, gerst en triticale | 1 per 5 are | 1 per are |
| Stuifbrand bij tarwe, gerst en triticale | 1 per are | 6 per are |
| Stuifbrand bij haver en Japanse haver | 1 per 2 are | 3 per are |
| Strepenziekte bij gerst | 1 per 5 are | 2 per are |
Komen deze ziekten gecombineerd voor, dan is de ziekte die qua aantal zieke planten het ongunstigst is, bepalend voor de maximaal te behalen categorie.
Selectie van stuifbrandzieke planten is bij alle graangewassen verboden.
b. Voorwaardelijke goedkeuring prebasis- en basiszaad
Percelen prebasis- en basiszaad en gecertificeerd zaad van Japanse haver, die niet aan de eisen voor gezondheid voldoen, worden voorwaardelijk goedgekeurd. Bij voorwaardelijke goedkeuring moet ontsmetting tegen de ziekte waarvan de norm werd overschreden vóór de certificering plaatsvinden. Partijen van percelen Japanse haver kunnen ook zonder ontsmetting worden opgenomen in een mengsel met gebruiksdoel “Groenbemesting”.
c. Besmettingsgevaar buurpercelen met stuifbrand
Verschillende rassen van tarwe, gerst, haver en triticale zijn vatbaar voor meerdere stuifbrandfysio’s. Omdat bij de veldkeuring niet kan worden vastgesteld met welke fysio men te maken heeft, wordt aangenomen dat altijd besmettingsgevaar aanwezig is wanneer stuifbrand in een buurperceel voorkomt.
Voor tarwe, gerst, haver en triticale gelden daarom de volgende afstandseisen voor stuifbrand:
Prebasis- en basiszaad
Indien binnen 80 meter van een te keuren gewas een perceel met hetzelfde gewas voorkomt dat gevaar oplevert voor stuifbrandbesmetting, dan wordt afhankelijk van het besmettingsgevaar tot degradatie of afkeuring overgegaan.
Gecertificeerd zaad
Indien binnen 30 meter van een te keuren gewas een perceel met hetzelfde gewas voorkomt dat gevaar oplevert voor stuifbrandbesmetting, dan moet het perceel worden afgekeurd als in het buurperceel de norm voor stuifbrand wordt overschreden.
3.8.2 Erwten
a. Amerikaanse vaatziekte
Percelen waarin Amerikaanse vaatziekte wordt aangetroffen, moeten worden afgekeurd.
b. Vroege verbruining
Percelen prebasis- en basiszaad moeten vrij zijn van vroege verbruining. De norm voor gecerti-ficeerd zaad is maximaal 3 zieke planten per are. Selectie op vroege verbruining is niet toegestaan.
c. Pseudomonas syringae pv. pisi
Percelen prebasis- en basiszaad van erwten worden beoordeeld op het voorkomen van Pseudomonas. Indien deze ziekte wordt waargenomen moet dit op het veldkeuringsrapport worden vermeld.
3.8.3 Stambonen
Bij de eerste keuring, die tijdens de bloei plaatsvindt, moet worden gelet op primaire en secundaire aantasting van vetvlekkenziekte en rolmozaïek. Daarnaast wordt bij de eerste keuring een indruk verkregen van de aantasting door vlekkenziekte (Colletotrichum). Primair en secundair door rolmozaïek aangetaste planten worden alleen in de beoordeling betrokken, als ze zeer vroeg in het groeiseizoen zijn besmet en ernstig zijn aangetast. Hiervoor zijn de volgende normen vastgesteld:
| Categorie | Maximaal aantal zieke planten per are |
|---|---|
| Prebasis- en basiszaad | 2 |
| Gecertificeerd zaad | 10 |
Van primair vetvlekkenzieke planten mag maximaal 1 haard per ha voorkomen.
Bij de tweede keuring, die tijdens de afrijping plaatsvindt, wordt gelet op aantasting van de peulen en het zaad door vetvlekkenziekte en vlekkenziekte. Worden meer dan 5 planten per ha aangetroffen waarvan het zaad door vetvlekkenziekte is aangetast, dan wordt het perceel afgekeurd.
Voor vlekkenziekte geldt de volgende norm ten aanzien van het maximaal percentage peulen waarvan de helft of meer van de in de peul aanwezige zaden zichtbaar is aangetast:
| Categorie | Maximaal percentage aangetaste peulen |
|---|---|
| Prebasis- en basiszaad | 5% |
| Gecertificeerd zaad | 15% |
Bij de veldkeuring wordt ook gelet op het voorkomen van brandvlekkenziekte (Xanthomonas axononpodis pv. Phaseoli en Xanthomonas fuscans subsp. fuscans). Bij het aantreffen van deze ziekte is certificering niet mogelijk (geen plantenpaspoort).
Voor zwarteknopenziekte moet het aantal haarden per ha op het veldkeuringsrapport worden vermeld.
3.9 Keuring op onkruid en vermenging
3.9.1 Onkruiden
Indien in het perceel onkruiden voorkomen, die niet of moeilijk uitschoonbaar zijn, moet dit onder ‘Opmerkingen’ op het veldkeuringsrapport worden vermeld. Komen vlasdolik en duist in erge mate in vlas voor, dan moet dit op het keuringsrapport worden vermeld. Percelen die wegens onkruidbezetting niet goed zijn te beoordelen worden afgekeurd.
Wilde haver in granen
Een perceel tarwe, gerst, haver, Japanse haver, rogge, spelt en triticale wordt afgekeurd wanneer bij doorkruising van het perceel één of meer wilde haverplanten worden gevonden. Bij gecertifi-ceerd zaad van tarwe, gerst, rogge, spelt en triticale is eenmaal extra keuring mogelijk, indien in eerste instantie bij doorkruising niet meer dan twee wilde haverplanten per ha worden aangetroffen.
3.9.2 Vermenging met andere gewassen
Voor vermenging met andere gewassen, waarvan het zaad moeilijk of niet uitschoonbaar is, gelden de volgende normen:
| Categorie | Maximaal aantal planten van andere gewassen |
|---|---|
| Prebasis- en basiszaad | 1 per 5 are |
| Gecertificeerd zaad | 2 per are 1) |
1) Bij gecertificeerd zaad is voorwaardelijke goedkeuring mogelijk, indien niet meer dan 6 planten per are voorkomen. (geldt niet voor triticale in tarwe). Opslag van andere gewassen, die geen of slechts onvolwaardig zaad kan geven, hoeft niet als een moeilijk uitschoonbare vermenging te worden gerekend.
4. Keuring hybride granen
4.1 Keuring cytoplasmatisch hybride rassen van tarwe
Bij de productie en keuring van CMS hybride rassen van tarwe worden cytoplasmatische mannelijke steriele lijnen bestoven door fertiele vaderlijnen. In de nateelt (productie gecertificeerd zaad) van de mannelijk steriele moeder wordt gekruist met een zogenaamde ‘hersteller’. Dit gebeurt door de hersteller te mengen met de moeder.
4.1.1 Isolatie en scheiding
De afstand tot ongewenste bestuivingsbronnen is voor de productie van vrouwelijke kruisingspartner (met CMS) basiszaad 300 m en productie van de hybride (gecertificeerd zaad) 25 m.
4.1.2 Veldkeuring
De keuring op plantenziekten, onkruiden en vermenging wordt op de normale wijze uitgevoerd. De moeder- en vaderstroken bij de productie tot prebasiszaad en basiszaad worden na het in aar komen normaal gekeurd op de hoofdkenmerken lengte, kleur en vorm.
De normen voor raszuiverheid en mannelijke steriliteit zijn:
Productie prebasizaad en basiszaad (ouderlijnen):
- Instandhouder en hersteller: 7 per are
- Moederlijn (CMS): 14 per are
- Norm mannelijke steriliteit moederlijn: 99,7%
De mannelijke steriliteit moederlijn kan worden beoordeeld in veldkeuring. Beoordeling in nacontrole is noodzakelijk.
De productie van gecertificeerd zaad:
Dit kan in een mengteelt van de moederlijn met de hersteller (hersteller 3 tot 8%)
- Hersteller: 15 per are
- Moederlijn is hybride: 30 per are
- Norm mannelijke steriliteit moederlijn: 99%
Beoordeling hierop vindt plaats in de nacontrole.
De raszuiverheidsnorm van het gecertificeerd zaad moet minimaal 85% zijn. Zie 4.1.3.
4.1.3 Controle op hybridisatie en mannelijke steriliteit
De norm voor raszuiverheid is 85% en mannelijke steriliteit van moederlijnen 99%. Er wordt een monster genomen voor nacontrole uitzaai op het centraal controleveld. Controle op hybridisatie vindt plaats volgens gangbare internationale methoden.
4.1.4 Monsteronderzoek en monster- en partijkeuring
Deze vinden op dezelfde wijze plaats als bij de conventionele rassen. De in de aanwijzing ZG-03 genoemde normen voor kiemkracht, gezondheid, vochtgehalte enz. gelden ook voor hybride granen.
4.2 Keuring cytoplasmatische hybride rassen van gerst
Bij de productie en keuring van CMS hybride rassen van gerst worden cytoplasmatische mannelijke steriele lijnen bestoven door fertiele vaderlijnen. In de nateelt (productie gecertificeerd zaad) van de mannelijk steriele moeder wordt gekruist met een zogenaamde ‘hersteller’. Dit gebeurt door de hersteller te mengen met de moeder.
4.2.1 Isolatie en scheiding
De afstand tot ongewenste bestuivingsbronnen is voor de productie van basiszaad 100 m en productie van de hybride (gecertificeerd zaad) 50 m.
4.2.2 Veldkeuring
De keuring op plantenziekten, onkruiden en vermenging wordt op de normale wijze uitgevoerd. De moeder- en vaderstroken bij de productie tot prebasizaad en basiszaad worden na het in aar komen normaal gekeurd op de hoofdkenmerken lengte, kleur en vorm.
De normen voor raszuiverheid en mannelijke steriliteit zijn:
Productie prebasizaad en basiszaad (ouderlijnen):
- Instandhouder en hersteller: 7 per are
- Moederlijn (CMS): 10 per are
- Norm mannelijke steriliteit moederlijn: 99,7%
De mannelijke steriliteit moederlijn kan worden beoordeeld in veldkeuring. Beoordeling in nacontrole is noodzakelijk.
De productie van gecertificeerd zaad:
Dit kan in een mengteelt van de moederlijn met de hersteller (hersteller 3 tot 8%)
- Hersteller: 15 per are
- Moederlijn is hybride: 25 per are
- Norm mannelijke steriliteit moederlijn: 99,5%
Beoordeling hierop vindt plaats in de nacontrole.
De raszuiverheidsnorm van het gecertificeerd zaad moet minimaal 85% zijn. Zie 4.2.3.
4.2.3 Controle op hybridisatie en mannelijke steriliteit
De norm voor raszuiverheid is 85% en mannelijke steriliteit van moederlijnen 99,5%. Er wordt een monster genomen voor nacontrole uitzaai op het centraal controleveld. Controle op hybridisatie vindt plaats volgens gangbare internationale methoden.
4.2.4 Monsteronderzoek en monster- en partijkeuring
Deze vinden op dezelfde wijze plaats als bij de conventionele rassen. De in de aanwijzing ZG-03 genoemde normen voor kiemkracht, gezondheid, vochtgehalte enz. gelden ook voor hybride granen.
4.3 Keuring cytoplasmatische hybride rassen van rogge
Bij de productie en keuring van hybride rogge worden cytoplasmatische mannelijke steriele moederlijnen in eerste instantie bestoven door fertiele vaderlijnen, daarbij blijft de mannelijke steriliteit van de moeder gehandhaafd. Vervolgens wordt de nateelt van de mannelijk steriele moeder gekruist met een zogenaamde ‘hersteller’ die de fertiliteit van de moederplanten herstelt. Deze opeenvolgende productiefasen worden als volgt gekeurd:
4.3.1 Prebasiszaad
De productie van de afzonderlijke componenten (cytoplasmatisch mannelijk steriele moeder, fertiele vader en de ‘hersteller’) vindt op het kweekbedrijf plaats. Als regel wordt deze productie van de componenten niet voor de keuring aangegeven.
4.3.2 Basiszaad
De productie van basiszaad bestaat uit twee onderdelen. Enerzijds wordt de ‘hersteller’ afzonderlijk vermeerderd. De isolatieafstand ten opzichte van ande-re percelen rogge moet daarbij minstens 600 m bedragen. De veldkeuring kan op dezelfde wijze worden uitgevoerd als bij basiszaad van conventionele rassen. Ten aanzien van de raszuiverheid moet echter rekening worden gehouden met een vrij grote heterogeniteit als gevolg van het groot aantal lijnen waaruit de ‘hersteller’ is opgebouwd.
Het tweede onderdeel bestaat uit een strokenteelt waarbij de mannelijk steriele moeder gekruist wordt met de fertiele vader. Van elke component moet tenminste één strook worden geïdentifi-ceerd.
Daarnaast gelden de volgende voorschriften:
a. Scheiding
Tussen de stroken moeder- en vaderplanten moet een scheiding van tenminste 50 cm worden aangebracht om mechanische vermenging bij de oogst te voorkomen.
b. Veldkeuring
De keuring op plantenziekten, onkruiden en vermenging wordt op de normale wijze uitgevoerd.
De moeder- en vaderstroken worden na het in aar komen normaal gekeurd op de hoofdkenmerken lengte, kleur en vorm. De norm voor raszuiverheid is gelijk aan die voor basiszaad te weten: max. 3 rasafwijkende planten per are.
Verder moet de mannelijke steriele moeder worden gekeurd op de mate van steriliteit. Deze moet minimaal 98% zijn, wat inhoudt dat niet meer dan 2% van de planten stuifmeel mag produceren.
c. Nacontrole
Beide componenten worden bij de nacontrole vergeleken met het standaardmonster van de betreffende component. De mannelijk steriele moeder mag niet meer dan 6‰ rasafwijkende planten bevatten; daarnaast moet de steriliteit tenminste 95% zijn. De resultaten van de nacontrole zijn mede bepalend voor de goed- of afkeuring van het gecertificeerde zaad dat het jaar daarop uit het betreffende basiszaad wordt geteeld.
4.3.3 Gecertificeerd zaad
Het gecertificeerde zaad wordt verkregen door middel van een mengteelt van de mannelijk steriele moeder en de ‘hersteller’. Voor de keuring gelden de volgende voorschriften. De keuring op plantenziekten, onkruiden en vermenging vindt op dezelfde wijze plaats als bij conventionele roggerassen. De keuring op raszuiverheid wordt uitgevoerd aan de hand van de hoofdkenmerken lengte, kleur en vorm. De norm voor raszuiverheid is max. 10 afwijkende planten per are. Bij de beoordeling moet wel rekening worden gehouden met de heterogeniteit van het gewas als gevolg van de mengteelt.
5. Keuring koolzaad
5.1 Voorvrucht
De teelt van zowel (pre) basiszaad als gecertificeerd zaad van hybride rassen mag alleen plaatsvinden op percelen waar de voorgaande vijf jaar geen Brassica’s zijn verbouwd.
5.2 Tijdstip en aantal keuringen
Conventionele rassen worden minimaal één keer tijdens de bloei gekeurd. Bij hybride rassen moeten tenminste drie veldkeuringen worden uitgevoerd. De eerste keuring vindt aan het begin van de bloei plaats en tweede tijdens de volle bloei. Steeksproefgewijs wordt het wegmaaien van de bestuiver gecontroleerd.
Bij de eenmalige, eerste en tweede keuring en wordt met name gelet op:
- Bladvorm (heel- of gedeeldbladig; betanding)
- Vroegheid
- Lengte plant
- Bloemkleur
- Bloemgrootte
- Steriliteit van de ms-lijn (bij hybride rassen)
- Isolatieafstanden/scheiding
- Vermening met andere Brassica’s en Raphanus soorten (norm: niet meer dan 3 per 200 m2)
Norm belending: zie 1.4 Scheiding en isolatie.
5.3 Normen raszuiverheid
Voor raszuiverheid worden onderstaande normen gehanteerd. Bij selectie moeten de afwijkende planten voor de bloei worden verwijderd.
De mannelijke steriliteit wordt beoordeeld door minimaal 4 x 100 bloemen te bekijken op het ontbreken van fertiele helmknoppen.
5.4 Nacontrole hybride rassen
Basiszaad moet worden nagecontroleerd; alleen als blijkt dat aan bovengenoemde normen voor basiszaad wordt voldaan, komt de nateelt voor certificering als CZ in aanmerking. In plaats van een nacontrole kan de raszuiverheid ook door middel van een biochemische test worden onderzocht.
5.5 Samenstelling mengras (rasassociatie)
Gecertificeerd zaad van mengrassen wordt samengesteld door de ouderlijnen mechanisch te mengen in de verhouding zoals opgegeven door de kweker. De zaadcoating van de vrouwelijke component wordt anders gekleurd dan die van de mannelijke component.
6. Keuring vezelhennep
6.1 Algemeen
Voor zover niet anders bepaald in deze aanwijzing worden aangifte, keuring, bemonstering, monsteronderzoek en certificering van vezelhennep uitgevoerd overeenkomstig de regels en voorschriften voor granen enz. zoals vastgelegd in het keuringsreglement en de aanwijzing van de NAK.
De aangifte voor de keuring moet plaatsvinden voor 1 juni. Bij een rijenafstand van minder dan 50 cm moet er om de ongeveer 50 meter een looppad van minimaal 75 cm aanwezig zijn. Eenhuizige vezelhennep kan worden gekeurd in de categorieën prebasiszaad, basiszaad, gecertificeerd zaad 1e vermeerdering en gecertificeerd zaad 2e vermeerdering. Tweehuizige vezelhennep kan worden gekeurd in de categorieën prebasiszaad, basiszaad en gecertificeerd zaad.
6.2 Veldkeuring
Vezelhennep wordt minimaal tweemaal gekeurd. Eenmaal in het vegetatieve stadium rondom het sluiten van het gewas en vlak voor of tijdens de bloei.
Bij de veldkeuring worden de volgende onderdelen beoordeeld:
- Rasechtheid
- Raszuiverheid
- Isolatieafstanden.
Bij de beoordeling op raszuiverheid wordt gelet op planten die duidelijk van het ras afwijken (inclusief mannelijke tweehuizige planten in een eenhuizig ras). De afwijkende planten moeten voor de bloei worden verwijderd. De normen voor raszuiverheid zijn:
| Categorie | Maximaal aantal afwijkers per are |
|---|---|
| Prebasis- en basiszaad | 3 |
| Gecertificeerd zaad (1e en 2e vermeerdering)*) | 10 |
* Voor gecertificeerd zaad 2e vermeerdering van eenhuizige rassen is de norm voor mannelijke tweehuizige planten 1%.
7. Keuring maïs
7.1 Aangifte
Bij de aangifte moet de kweker opgeven of de teelt betrekking heeft op een:
- Inteeltlijn
- Enkele hybride
- Drieweg hybride
- Dubbele hybride.
Verder moet hij een beschrijving geven van de inteeltlijn, het ras, de kruisingsouders en de kruisingsformule. Onder de kruisingsouders worden de geniteurs verstaan waaruit een maïsras is opgebouwd, zoals inteeltlijnen en enkele hybriden.
7.2 Veldkeuring
Bij de veldkeuring van maïs wordt gelet op de volgende onderdelen:
- Rasechtheid
- Raszuiverheid
- Isolatieafstanden
De veldkeuringen worden uitgevoerd in de periode vanaf het zichtbaar worden van de eerste pluimen tot het einde van de bloei. Bij de eerste keuring wordt met name gekeken naar de isolatieafstanden, vroege planten en vegetatieve kenmerken. Bij de volgende keuringen wordt gelet op raszuiverheid en, voorzover van toepassing, ontpluiming van de vrouwelijke kruisingsouder.
Rasechtheid
Bij de beoordeling op rasechtheid moeten de kruisingsouders overeenkomen met de opgegeven beschrijving of de officiële rasbeschrijving indien deze bestaat.
Raszuiverheid
Bij de keuring op raszuiverheid wordt gelet op rasafwijkende planten. Daarbij wordt gebruik gemaakt van de volgende kenmerken:
- Vroegheid
- Lengte plant
- Anthocyaan op de stengel
- Anthocyaan op de stijlen
- Hoogte kolfaanzetting
- Kleur van de pluim
- Vorm van de pluim (vertakking en hoek tussen hoofd- en zijassen).
De normen voor raszuiverheid zijn:
| Categorie | Aantal afwijkers |
|---|---|
| Prebasis- en basiszaad | 1 per 1.000 |
| Gecertificeerd zaad | 2 per 1.000 |
Bij de vrouwelijke kruisingsouder wordt bovendien gelet op het voorkomen van mannelijke bloeiwijzen (pluimen). Wanneer 5% of meer planten van de vrouwelijke kruisingspartner bevrucht kunnen worden, mag het percentage aan planten van die vrouwelijke kruisingspartner, die stuifmeel hebben afgegeven of afgeven, niet meer bedragen dan:
- 1% bij elke veldkeuring
- 2% over alle veldkeuringen samen.
Elke complete of gedeeltelijke mannelijke bloeiwijze wordt geteld als stuifmeelleverende bloeiwijze, wanneer op totaal 5 centimeter pluim de helmhokken zichtbaar zijn. Dit geldt ook voor uitgetrokken pluimen in of in de onmiddellijke nabijheid van het gewas.
7.3 Isolatieafstanden
Voor alle categorieën geldt een isolatieafstand van 200 m ten opzichte van andere rassen en andere inteeltlijnen. Deze afstand hoeft niet in acht te worden genomen bij percelen met dezelfde bestuiver (vaderlijn). Bij teelt in kassen is geen isolatieafstand vereist mits de percelen onderling door een gesloten tussenwand zijn gescheiden. Verschil in zaaitijd of bloeitijdstip kan onder geen voorwaarde als middel tot isolatie worden geaccepteerd.
Als de afstand voor isolatie minder bedraagt dan 200 meter maar meer dan 150 meter, dan kan dit voor kruisingen gecompenseerd worden door aan de zijde, onmiddellijk aansluitend aan het voor keuring aangegeven gewas, voor elke 10 meter of een gedeelte daarvan die aan de vereiste afstand ontbreekt een extra rij van de vader te zaaien. De planten van de extra rijen moeten stuifmeel leveren als de moederplanten ontvankelijk zijn.
Wordt voor de productie van enkele, dubbele of rassenhybriden dezelfde vader gebruikt als bij de productie van overeenkomstige hybriden op buurpercelen, dan is geen onderlinge isolatie vereist. Wordt het buurperceel afgekeurd op grond van onvoldoende verwijderen van mannelijke bloeiwijzen, dan moet het andere perceel ook worden afgekeurd;
7.4 Partijkeuring hybride maïs
Zaad van ingeteelde stammen, van enkele en dubbele hybriden en van rassenhybriden, wordt ongedorst op partij gekeurd.
De normen voor afwijkende kolven zijn daarbij als volgt:
- Prebasiszaad en basiszaad : max. 1% duidelijk afwijkende kolven
- Gecertificeerd zaad : max. 2% duidelijk afwijkende kolven.
8. Keuring standaardzaad van landbouwstambonen
1. Percelen, bestemd voor de productie van standaardzaad, moeten vóór 1 juni bij de NAK voor registratie worden aangemeld. Daarbij moeten de certificaten van het gebruikte uitgangsmateri-aal worden ingeleverd.
2. Alleen percelen ingezaaid met basiszaad of gecertificeerd zaad kunnen als standaardzaad onder toezicht worden genomen.
3. Het bedrijf moet:
- Zelf de veldkeuring uitvoeren en de resultaten hiervan vastleggen of de NAK verzoeken de veldkeuring uit te voeren. Bij de veldkeuring moet worden gelet op het voorkomen van brandvlekkenziekte (Xanthomonas axononpodis pv. Phaseoli en Xanthomonas fuscans subsp. Fuscans).
- Van de aangevoerde, opgeslagen, bewerkte en afgeleverde partijen standaardzaad een nauwkeurige administratie voeren, die tenminste gedurende drie jaar moet worden bewaard en op verzoek van de NAK ter inzage moet worden verstrekt
- Monsters van elke partij nemen en deze monsters tenminste gedurende twee jaar ter beschikking van de NAK houden.
De NAK neemt steekproefsgewijs monsters voor controle achteraf.
4. Het onder 3 gestelde is niet van toepassing indien op verzoek van het bedrijf:
- De aanvoer, de opslag en bewerking onder toezicht van de NAK plaatsvinden
- De NAK het monster onderzoekt en de partij plombeert.
Wel moet het bedrijf een administratie voeren overeenkomstig de eisen, die voor gecerti-ficeerd zaad gelden. In dit geval neemt de NAK steekproefsgewijs monsters voor nacontrole op rasechtheid en raszuiverheid. Voor standaardzaad gelden voor de kiemkracht, zuiverheid en uiterlijke kwaliteit de normen voor gecertificeerd zaad 1e vermeerdering. Verder moet standaardzaad voldoen aan de normen, zoals die in de EU-richtlijn voor groentezaad zijn aangegeven.
5. Het bedrijf moet het standaardzaad voorzien van een doorlopend genummerde, donkergele label (model 8).
6. Bij bemonstering voor een internationaal oranje attest moet de NAK de partij met een plombe of een identificatielabel sluiten.
9. Keuring boekweit
9.1 Algemeen
Ten behoeve van OESO-certificering kan de NAK op verzoek van een bedrijf boekweit te velde keuren. Aangifte en keuring worden uitgevoerd overeenkomstig de regels en voorschriften voor granen enz. zoals vastgelegd in het keuringsreglement en de aanwijzingen van de NAK. Boekweit wordt gekeurd in de categorieën prebasiszaad, basiszaad en gecertificeerd zaad. Prebasis- en basiszaad worden als regel tenminste tweemaal gekeurd. De keuringen moeten zodanig worden uitgevoerd dat alle onderdelen goed zijn te beoordelen. Gecertificeerd zaad wordt als regel éénmaal gekeurd op het moment dat het gewas in bloei c.q. pluim staat.
Bij de veldkeuring worden de volgende onderdelen beoordeeld:
- Rasechtheid
- Raszuiverheid
- Zaadgebonden plantenziekten
- Isolatieafstanden
- Onkruiden en vermengingen die moeilijk uitschoonbaar zijn.
9.2 Veldkeuring boekweit
9.2.1 Keuring raszuiverheid
Boekweit wordt gekeurd als een kruisbestuivend gewas. Bij de beoordeling op raszuiverheid wordt, voorzover het vrij constante eigenschappen betreft, dezelfde richtlijn aangehouden als voor de zelfbestuivende granen; de toegestane afwijking mag echter tweemaal zo groot zijn.
De eerste veldkeuring van prebasis- en basiszaad wordt uitgevoerd in het vegetatieve stadium. Daarbij wordt met name gelet op bladkleur en bladgrootte.
De tweede keuring van prebasis- en basiszaad en de eenmalige keuring van de categorie CZ wordt uitgevoerd tijdens de bloei.
Daarbij worden de volgende kenmerken beoordeeld:
- Vroegheid
- Lengte plant
- Bloemkleur
- Bloemgrootte.
De normen voor raszuiverheid zijn als volgt:
| Categorie | Maximaal aantal afwijkers per are |
|---|---|
| Prebasis- en basiszaad | 3 |
| Gecertificeerd zaad | 10 |
Bij selectie moeten de afwijkende planten voor de bloei worden verwijderd.
9.2.2 Onkruiden en vermenging
In verband met het gevaar op kruisbestuiving zijn voor planten van Franse boekweit (Fagopyrum tartaricum) de volgende normen gesteld:
- Prebasis- en basiszaad: 1 plant/2 are
- Gecertificeerd zaad: 1 plant/are.
Als in het perceel onkruiden voorkomen die niet of moeilijk uitschoonbaar zijn, moet dit onder ‘Opmerkingen’ op het veldkeuringsrapport worden vermeld. Dit betreft met name de soorten zwaluwtong en winde.
Dr. N. Rietbroek,
Secretaris vaste commissies
pootaardappelen en zaaizaden
