De vaste commissie voor zaaizaden heeft de volgende aanwijzingen opgesteld voor de certificering van suiker- en voederbietenzaad. Voor het monsteronderzoek gelden de EU-normen zoals weergegeven in de van de Richtlijn 2002/54/EG. Deze normen zijn als bijlage I toegevoegd.
1. Internationaal vervoer
1.1 Vervoer van zaad bestemd voor verdere bewerking
Bij internationaal vervoer van bietenzaad bestemd voor verdere bewerking (zeven, slijpen, inhullen) moet elke partij volgens onderstaand schema worden geïdentificeerd en gesloten. De definitieve keuring vindt plaats na de laatste bewerking.
| Aard van de bewerking | Identificatie | Tariefstelling | |
|---|---|---|---|
| A. Verzending naar het buitenland | Verdere schoning, slijpen, polijsten, zeven, inhullen etc. | Transportdocument + vervoerslabels. Verzending toegestaan zonder monsteronderzoek of normale certificering met monstername en onderzoek | Certificeringstarief |
| B. Terugkeer uit het buitenland na bewerking van de onder A verzonden partijen | zie boven | Officiële etikettering van de keuringsdienst in het land van de bewerker. Bij hercertificering in Nederland: NAK-verzegeling | Hercertificeringstarief |
Bij verzending van partijen die definitief zijn gecertificeerd door de NAK of een buitenlandse keuringsinstelling is geen transportdocument nodig. Bij zaad van rassen in onderzoek of zaad van rassen, die in het land van bewerking niet zijn toegelaten is voor bewerking en teruglevering wel een transportdocument nodig. Voor identificatie is een beproevingslabel of vervoers-label vereist.
1.2 Gepilleerd zaad bestemd voor uitzaai in Nederland
In het buitenland gepilleerd zaad wordt vaak naar Nederland vervoerd voordat het zaadonderzoek is afgerond. Deze partijen blijven onder toezicht van de NAK totdat het onderzoek is afgerond. Hiervoor zijn de volgende afspraken gemaakt:
- ten tijde van de grensoverschrijding wordt de import gemeld door middel van NAK-formulier 217 of via een computeruitdraai onder vermelding van ‘NL afzet; uitslag volgt’ en de minimum kiemkracht en éénkiemigheid waaronder is gecertificeerd;
- na het voltooien van het onderzoek wordt aan de NAK een ISTA-attest overlegd.
2. Monsteronderzoek
Bij niet-ontsmet zaad wordt de kiemkracht onderzocht in het door de NAK ontsmette monster. Wordt een niet-ontsmette partij goedgekeurd en vindt daarna ontsmetting plaats zonder verdere bewerking, dan moet na ontsmetting een controlemonster worden genomen en 1 jaar worden bewaard. Achter het oorspronkelijke partijnummer wordt in dit geval de letter O geplaatst.
3. Beslissing goed- of afkeuring
Een beslissing over de goed- of afkeuring van een partij wordt alleen genomen als het monster is genomen uit een geheel voor certificering gereed gemaakte partij.
Om te worden goedgekeurd moet de partij voldoen aan de in de EU-Richtlijn 2002/54 (Bietenzaad) vermelde normen en aan de in deze aanwijzing vastgelegde normen.
Indien bij het monsteronderzoek de kiemkracht bij de eerste telling voldoet aan de minimumnorm en de partij overigens voldoet aan de hiervoor geldende normen, kan deze worden goedgekeurd. Deze procedure is niet van toepassing voor afgifte van een ISTA-attest, of indien de speling in kiemkracht tussen vier herhalingen buiten de ISTA-norm valt.
Partijen teeltmateriaal, die al van certificaten zijn voorzien, mogen pas na definitieve goedkeuring worden afgeleverd.
4. Certificering
4.1 Algemeen
Ten aanzien van certificering moet één van de volgende werkwijzen worden toegepast: Tegelijk met de monstername wordt de partijkeuring verricht. De verpakkingseenheden worden voorzien van de voorgeschreven certificaten. Indien een partij niet aan de normen voldoet, wordt deze door of onder toezicht van de NAK gedecertificeerd en worden de certificaten. De betreffende partijen blijven onder toezicht van de NAK.
De behandeling met een chemisch middel kan op verzoek van de houder van de partij worden vermeld onder aanduiding van de actieve stof van het gebruikte middel.
4.2 Certificering binnenlandse partijen
Indien de partij op grond van een geldig attest of ISTA-attest aan de NAK-eisen voldoet, dan kan hij definitief worden gecertificeerd.
Bij de aanvraag voor de certificering moet de houder van de partij aangeven welke ontsmetting met welke dosering is toegepast. Dit in verband met de codering van het partijnummer overeenkomstig punt 4.3 van deze aanwijzing. Indien bietenzaad wordt ontsmet met hogere (afwijkende) doseringen dan gebruikelijk, dan moet voor vermelding van de kiemkracht en de éénkiemigheid op het certificaat het onderzoek van het monster uit de ontsmette partij worden afgewacht.
Certificering mag plaatsvinden met vermelding van de bereikte kiemkracht bij 10 dan wel 7 dagen met aftrek van 2 respectievelijk 7 punten op de éénkiemigheid op voorwaarde dat deze na aftrek aan de eisen voldoet. Deze aftrek geldt niet voor zaad van genetisch monogerme rassen. Indien de aanvrager gebruik wil maken van dit versnelde kiemkrachtonderzoek, moet hij dit op het AVM aangeven.
Wordt hercertificering gevraagd in standaardeenheden (100.000 korrels) met een NAKcertificaat, dan mogen alleen de gegevens omtrent kiemkracht, éénkiemigheid, duizendkorrelgewicht enz. van een ISTA-attest of een onderzoek van de NAK op de certificaten worden vermeld.
4.3 Codering partijnummers
Partijen bestemd voor binnenlandse afzet krijgen als jaarcode het jaar van uitzaai (dus voor 2011 het cijfer 1). Van de volgende vijf cijferplaatsen van het partijnummer worden de eerste drie gebruikt voor de door het IRS toegekende code voor ras en zaadtype (zie bijlage III).
4.4 Certificering exportpartijen
Voor certificering van bietenzaad met OESO-label gelden de OESO-normen. Deze zijn gelijk aan de EU-normen (Bijlage I), m.u.v. onschadelijke onzuiverheid waarvoor geen OESO-norm is gesteld.
Het is mogelijk om exportpartijen met NAK certificering te verzenden, voordat het onderzoek volledig is afgesloten. Voorwaarde is dat de partij wordt teruggehaald indien achteraf blijkt, dat deze niet aan de normen voldoet en dat de NAK in de gelegenheid wordt gesteld de partij te decertificeren.
Voor export van bietenzaad met identificatielabel (buiten de EU) gelden geen minimum-normen. In Art. 15.8 KR is bepaald dat een dergelijke certificering uitsluitend mag plaatsvinden met vermelding van de soortaanduiding suikerbieten- of voederbietenzaad. Bij het onderzoek voor certificering met het identificatielabel moet op het AVM worden opgegeven of het multigerm of genetisch monogerm betreft; dit in verband met het verschil in behandeling wat betreft het onderzoek op zuiverheid en kiemkracht.
4.5 Verval van goedkeuring
Bij bietenzaad vervalt de goedkeuring een jaar na de certificeringsdatum
5 Vervroegde aflevering
Aflevering van gecertificeerde partijen waarvan de kiemkracht nog niet bekend is, is met toestemming van de NAK toegestaan als:
- Deze aflevering plaatsvindt aan de eerste afnemers, geen gebruikers zijnde;
- Een verslag van de voorlopige analyse van het zaad wordt overlegd, waaruit blijkt dat aan de andere eisen dan voor kiemkracht is voldaan.
- Opgave wordt gedaan van de eerste afnemers en aan deze bericht is gezonden, dat de partijen niet aan de uiteindelijke gebruikers mogen worden afgeleverd dan nadat daaromtrent nadere mededelingen zijn gedaan.
- De partij door de leverancier wordt teruggehaald indien de kiemkracht niet aan de norm blijkt te voldoen.
- De partij volgens onderzoek bij de voorlopige telling voldoet aan de minimumnorm,
- of : de partij ligt volgens NAK-onderzoek, een officieel buitenlands attest of onderzoek door een erkend bedrijfslaboratorium van niet ouder dan 20 maanden, 8% boven de minimumnorm,
- of: de partij ligt volgens eigen onderzoek van niet ouder dan 3 maanden 8% boven de minimumnorm.
Dr. N.J. Rietbroek, secretaris vaste commissies
pootaardappelen en zaaizaden
Bijlagen:
- I Zaadnormen
- Bedrukking
- Codering
Bijlage I
Zaadnormen
Voor bietenzaad gelden de normen zoals genoemd in de bijlagen II en III van de EG-Richtlijn 2002/54. Deze normen worden hieronder weergegeven .
Aanvullende voorwaarden voor éénkiemig zaad en precisiezaad :
- Eénkiemig of monogerm zaad: tenminste minimaal 90% van de gekiemde kluwens moeten één kiemzaad geven. Het percentage kluwens met drie of meer kiemen mag niet meer dan 5 bedragen, berekend op de gekiemde kluwens.
- Precisiezaad van suikerbieten: tenminste 70% van de gekiemde kluwens moeten één zaadkiem geven. Het percentage kluwens met drie of meer kiemen mag niet meer dan 5 bedragen, berekend op de gekiemde kluwens.
- Precisiezaad van voederbieten: voor rassen waarbij het percentage diploïde zaden meer bedraagt dan 85, moeten tenminste 58% van de gekiemde kluwens één zaadkiem geven. Voor al het overige zaad moeten tenminste 63% van de gekiemde kluwens één zaadkiem geven. Het percentage kluwens met drie of meer kiemen mag niet meer dan 5 bedragen, berekend op de gekiemde kluwens.
Bijlage II
Bedrukking certificaten en labels kleine verpakkingen EG
De volgende gegevens worden op de certificaten c.q. kleinverpakkingslabels vermeld:
- ‘Kleine verpakking EEG’ (alleen ingeval van kleinverpakkingen)
- NAK-logo
- Naam en adres leverancier of aansluitingsnummer 1)
- Maand en jaar van monstername of sluiting
- Soort
- Ras
- Categorie
- Partijnummer
- Teeltland
- Minimale kiemkracht
- Minimale éénkiemigheid
- Volgnummer
- Gewicht of aantal zaden
- Ontsmetting 2)
1) Naast één van deze twee gegevens wordt het aansluitingsnummer van de verpakker vermeld, indien deze een ander is dan de leverancier.
2) Bij ontsmetting wordt naast het woord ‘ontsmet’ de naam van het ontsmettingsmiddel vermeld. Bij toevoeging van korrelvormige bestrijdingsmiddelen, omhullingen of andere stoffen moeten aard en gewicht daarvan worden vermeld. Bovenbedoelde gegevens worden op het etiket vermeld of, indien dit niet mogelijk is, op de buitenkant van de verpakking.
Overzicht Certificaten
| Modelnr | Kleur | Categorie |
|---|---|---|
| 1 | Wit met paarse diagonale band | Prebasiszaad |
| 2 | Wit | Basiszaad |
| 3 | Blauw | Gecertificeerd zaad |
| 5 | Geel | Vermeerderingmateriaal ras in onderzoek |
| 9 | Oranje | Beproevingsmateriaal ras in onderzoek |
Bijlage III
CODENUMMERS SUIKERBIETENZAAD 1-dec-23
Zaadcommissie/NAK