De NAK is de Nederlandse Algemene Keuringsdienst voor zaaizaad en pootgoed van landbouwgewassen. Deze wettelijke taak wordt vervuld in opdracht en onder toezicht van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.

Onze gespecialiseerde keurmeesters voeren tijdens het seizoen alle keuringen uit die bijdragen aan de hoogwaardige kwaliteit van het Nederlandse exportproduct. De NAK beschikt over een hightech laboratorium waar grootschalige nacontrole op pootaardappelen wordt gedaan door toepassing van moleculaire onderzoekstechnieken.

Proef- en controlebedrijf

Nabij de hoofdvestiging in Emmeloord is het Proef- en controlebedrijf van de NAK gevestigd. Op het Proef- en controlebedrijf worden de meest uiteenlopende proefveldonderzoeken aan landbouwgewassen uitgevoerd. Het Proef- en controlebedrijf beschikt over 106 ha vruchtbare kleigrond met bijhorende gebouwen, machines en 150 m2 verwarmde kas. De grond is door de optimale onderzoeksmatige condities uitermate geschikt voor de aanleg van proef- en controlevelden.

Voor- en nacontrolevelden

Bij de keuringsvelden wordt onderscheid gemaakt in de voorcontrole- en nacontrolevelden. Doel van de voorcontrole is de instandhouding van bestaande rassen te controleren. Bestaande rassen worden hierbij beoordeeld op rasechtheid en raszuiverheid voordat partijen zaaizaad en pootgoed in het handelsverkeer worden gebracht. Nacontrolevelden geven inzicht in de wijze van uitvoering van de keuring (uniformiteitsbewaking).

Onderzoek nieuwe rassen

Op het Proef- en Controlebedrijf worden nieuwe rassen van akkerbouwgewassen onderzocht. Deze nieuwe rassen worden beoordeeld op onderscheidbaarheid, uniformiteit en stabiliteit. We spreken hier over het kwekersrechtonderzoek (RKO). Om vast te stellen of nieuwe rassen voldoende cultuur- en gebruikswaarde hebben om deel te nemen aan het handelsverkeer, worden waarderingscijfers aan rassen toegekend voor eigenschappen als opbrengst en resistentie. Het zogenaamde Cultuur- en gebruikswaardenonderzoek (CGO).

Trainingsvelden

Trainingsvelden worden o.a. gebruikt voor de aardappelselectiecursus, instructie voor de buitendienstmedewerkers (uniformiteitsbewaking in veldkeuring) en internationale opleidingen. Twee commerciële kweekbedrijven hebben kweekvelden aangelegd op het Proef- en Controlebedrijf. Jaarlijks worden er voor diverse bedrijven op het gebied van bijvoorbeeld gewasbescherming proefvelden aangelegd.

Laboratorium

PCR-techniek

De NAK heeft een DNA-laboratorium. Binnen dit DNA-laboratorium wordt op grote schaal de PCR-techniek toegepast bij aardappelonderzoeken.

Door toepassing van deze geavanceerde techniek kunnen combinatieonderzoeken worden uitgevoerd. Eén monster kan onderzocht worden op zowel virussen, de Erwiniabacterie en de bruin- en ringrotbacterie.

Voor het onderzoek naar virus en Erwinia heb je het zogeheten ‘kapje’ van de aardappelknol nodig. Voor het onderzoek naar bruin- en ringrot heb je het zogeheten ‘pitje’ nodig van het naveleinde van de aardappel (die onder het kapje zit). Dat betekent eerst het kapje eraf snijden, en daarna de pitjes eruit pitten. Zie de afbeeldingen hieronder. Vervolgens worden de kapjes onderzocht met PCR op virus en Erwinia. De pitjes worden onderzocht op bruinrot en ringrot, met behulp van de IF-toets. De NAK is druk bezig om in de toekomst ook het bruin- en ringrotonderzoek met de PCR-techniek uit te voeren.

De PCR-onderzoekstechniek brengt de volgende voordelen met zich mee:

  • Tijdswinst voor pootgoedtelers
    Pootgoedtelers ontvangen hun uitslag sneller en genieten een tijdswinst van 4 weken. Telers ontvangen nu al binnen 2 weken hun uitslag in plaats van de voormalige 6 weken.
  • Grootschalige inzet van efficiënte combi-onderzoeken
    Tijdens de nacontrole van pootaardappelen kan nu één monster onderzocht worden op zowel virussen, de Erwiniabacterie en de bruin- en ringrotbacterie.

IF-methodiek

Bij het bruin- en ringrotonderzoek wordt de IF-methodiek ingezet. Onderzoek op virus, Erwinia en Melodoïgyne chitwoodi & fallax gebeurt met de PCR-methodiek. De monstergrootte is 200 knollen, per maximaal 6 hectare, voor alle rassen en klassen.

Het onderzoek op bruin- en ringrot en Melodoïgyne chitwoodi & fallax wordt uitgevoerd op basis van de NVWA-protocollen.